Strafrecht overig
Medeplegen aanwezig hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en medeplegen aanwezig hebben van hennep…
Hoge Raad, 27 mei 2025
ECLI:NL:HR:2025:814 · Hoge Raad · 27 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-814
Zaakgegevens
Op 27 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 mei 2025
- Datum publicatie
- 22 mei 2025
- Zaaknummer
- 22/04541
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:814
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen aanwezig hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en medeplegen aanwezig hebben van hennep, meermalen gepleegd (art. 3.C Opiumwet). 1. Verbeurdverklaring auto, art. 33a.2.a en 33c.2 Sr. Behoort auto aan verdachte toe en heeft hof rekening gehouden met draagkracht van verdachte? 2. Bewijsklacht medeplegen aanwezig hebben van cocaïne. 3. Bewijsklacht medeplegen aanwezig hebben van hennep . 4. Strafmotivering (gevangenisstraf van 24 maanden). Kon hof bij strafoplegging verwijzen naar omstandigheden waarvan verdachte is vrijgesproken, gezondheidsrisico’s van drugs en eerdere veroordelingen? 5. Heeft hof verzuimd bewijsmiddelenbijlage te ondertekenen?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04538.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 december 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:4204Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 maart 2025
ECLI:NL:PHR:2025:269Hoge Raad · 27 mei 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:814
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04541
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 december 2022, nummer 20-000895-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.