Strafrecht overig

Mishandeling van zijn vriendin, meermalen gepleegd (art. 300.1 Sr.). 1. Afwijzing van voorafgaand aan tz. in…

Hoge Raad, 3 juni 2025

Zaakgegevens

Op 3 juni 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 juni 2025
Datum publicatie
2 juni 2025
Zaaknummer
22/03500
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:837
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mishandeling van zijn vriendin, meermalen gepleegd (art. 300.1 Sr.). 1. Afwijzing van voorafgaand aan tz. in hoger beroep gedaan en ttz. in h.b. gehandhaafd verzoek om aangeefster (opnieuw) als getuige te horen, op de grond dat hof het niet noodzakelijk acht dat aangeefster andermaal wordt gehoord. 2. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van aangeefster, art. 359.2 Sv. 3. Motivering oplegging van contactverbod als bijzondere voorwaarde. Was hof gelet op bewezenverklaarde en ttz. naar voren gekomen f&o gehouden oplegging van contactverbod nader te motiveren?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 15 september 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3954
  2. Conclusie A-G · 8 april 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:421
  3. Hoge Raad · 3 juni 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:837

    Overig

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03500

Datum 3 juni 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 september 2022, nummer 23-003046-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G. Spong bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.