Strafrecht overig

Bedreiging (art. 285.1 Sr) en opzettelijke brandstichting (art 157.1 Sr). 1. Bewijsklacht bedreiging. Verweer…

Hoge Raad, 3 juni 2025

Zaakgegevens

Op 3 juni 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 juni 2025
Datum publicatie
2 juni 2025
Zaaknummer
22/02575
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:844
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bedreiging (art. 285.1 Sr) en opzettelijke brandstichting (art 157.1 Sr). 1. Bewijsklacht bedreiging. Verweer t.a.v. opzet. 2. Bewijsklacht brandstichting. Heeft hof aan wettig en overtuigend bewezen zijn van brandstichting (slechts) ten grondslag gelegd dat brandstichtingsscenario “meer aannemelijk” is dan scenario van technisch defect?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02613.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 25 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:378
  2. Hoge Raad · 3 juni 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:844

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02575

Datum 3 juni 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2022, nummer 21-002313-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en zes maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.