Strafrecht overig

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. opzetheling (art. 416.1.a Sr) en aanwezig hebben van hennep (art. 2.C…

Hoge Raad, 23 juni 2026

Zaakgegevens

Op 23 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 juni 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
24/02089
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1000
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. opzetheling (art. 416.1.a Sr) en aanwezig hebben van hennep (art. 2.C Opiumwet). Betekening oproeping nadere tz. in hoger beroep, art. 36e.1.b.2 Sv. Kon hof oordelen dat betekening rechtsgeldig is, nu oproeping is ‘aangeboden’ op feitelijke woon- of verblijfplaats a.b.i. 36e.1.b.2 Sv, maar niet is ‘uitgereikt’ omdat onduidelijk was of adres bestond?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 11 oktober 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:3029
  2. Conclusie A-G · 14 april 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:390
  3. Hoge Raad · 23 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1000

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02089

Datum 23 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 oktober 2023, nummer 22-001041-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.M.V. Bandhoe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

3.2

De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof het namens de verdachte ingestelde hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026.