Strafrecht overig

Economische zaak. Medeplichtigheid aan opzettelijk houden van meer varkens dan was toegestaan o.b.v. Besluit…

Hoge Raad, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
24/03048
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1074
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Economische zaak. Medeplichtigheid aan opzettelijk houden van meer varkens dan was toegestaan o.b.v. Besluit emissiearme huisvesting (art. 5 Besluit emissiearme huisvesting jo. 8.40.1 Wm en 1a.1 WED). Bewijsklachten medeplichtigheid. Kon hof oordelen dat verdachte medeplichtig was (enkel) door het verhuren van stallen, terwijl zij wist dat 2 van de 3 verhuurde stallen per 1-1-2020 niet meer voldeden?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/03047 P.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 juli 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:2468
  2. Conclusie A-G · 26 mei 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:532
  3. Hoge Raad · 7 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1074

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03048 E

Datum 7 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, economische kamer, van 26 juli 2024, nummer 20-000535-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.J.J.E. Stassen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.