Strafrecht overig

Aanwezig hebben van hennep in woning waar verdachte ingeschreven staat, art. 3.C Opiumwet. Bewijsklacht…

Hoge Raad, 25 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 25 augustus 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 augustus 2026
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
24/03604
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1108
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanwezig hebben van hennep in woning waar verdachte ingeschreven staat, art. 3.C Opiumwet. Bewijsklacht aanwezig hebben. Kon hof oordelen dat hennep zich in machtssfeer van verdachte bevond?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 2 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:747
  2. Hoge Raad · 25 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1108

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03604

Datum 25 augustus 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 september 2024, nummer 21-003131-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.