Strafrecht overig

Aanwezig hebben van 62,7 gram hasjiesj (art. 3.C Opiumwet) en smokkel in penitentiaire inrichting (art…

Hoge Raad, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
1 juli 2026
Zaaknummer
24/03675
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1127
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanwezig hebben van 62,7 gram hasjiesj (art. 3.C Opiumwet) en smokkel in penitentiaire inrichting (art. 429a.1 Sr). Strafmotivering (taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, en hechtenis van 2 weken), art. 359.2, 359.5 en 359.6 Sv. Wekt oplegging van hechtenis verbazing?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 12 mei 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:718
  2. Hoge Raad · 7 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1127

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03675

Datum 7 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 september 2024, nummer 21-004164-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Kuipers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.