Strafrecht overig

BTW-fraude in autohandel. Valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), onjuiste aangifte omzetbelasting (art. 69.2…

Hoge Raad, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
1 juli 2026
Zaaknummer
24/04620
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1128
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BTW-fraude in autohandel. Valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), onjuiste aangifte omzetbelasting (art. 69.2 AWR) en witwassen (art. 420bis.1.b Sr). Bewijsklachten. Wist verdachte als afnemer van auto’s van de door leveranciers begane BTW-fraude en dat hij als frauduleuze schakel in transactieketen geen recht had op aftrek van voorbelasting?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 31 juli 2019

    ECLI:NL:RBZWB:2019:3459
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 december 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:4140

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 12 mei 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:424
  4. Hoge Raad · 7 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1128

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04620

Datum 7 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 december 2024, nummer 20-002537-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.