Strafrecht overig
Rijden terwijl rijbewijs is ingevorderd, art. 9.7 WVW 1994. 1. Bewijsklacht verklaring van verdachte. Kon hof…
Hoge Raad, 7 juli 2026
ECLI:NL:HR:2026:1135 · Hoge Raad · 7 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-1135
Zaakgegevens
Op 7 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Datum publicatie
- 1 juli 2026
- Zaaknummer
- 24/04254
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1135
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Rijden terwijl rijbewijs is ingevorderd, art. 9.7 WVW 1994. 1. Bewijsklacht verklaring van verdachte. Kon hof de verklaring van verdachte (“Ik herinner mij dat bij voorgeleiding het rijbewijs werd ingevorderd”) voor bewijs gebruiken, nu niet duidelijk is dat en wanneer verdachte die verklaring zou hebben afgelegd? 2. Bewijsklachten grondslag van invordering van rijbewijs en teruggave van ingevorderd rijbewijs. Kon hof oordelen dat er voldoende wettelijke grondslag was voor invordering van rijbewijs en volgt uit bewijsmiddelen dat rijbewijs niet aan verdachte is teruggegeven? 3. Beroep op afwezigheid van alle schuld wegens ontbreken van bewustheid bij verdachte dat zijn rijbewijs was ingevorderd.
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 mei 2026
ECLI:NL:PHR:2026:372Hoge Raad · 7 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1135
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04254
Datum 7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024, nummer 23-001628-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een week en de opgelegde taakstraf van 24 uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.