Strafrecht overig

Caribische zaak. Medeplegen uitlokking van medeplegen poging tot moord in Sint Maarten (art. 2:262 SrC) en…

Hoge Raad, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
6 juli 2026
Zaaknummer
25/02062
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1209
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Caribische zaak. Medeplegen uitlokking van medeplegen poging tot moord in Sint Maarten (art. 2:262 SrC) en medeplegen uitvoer (en invoer) van cocaïne uit Sint Maarten naar Frankrijk, meermalen gepleegd (art. 3.A Opiumlandsverordening 1960). 1. Bewijsklachten medeplegen uitlokking (van medeplegen poging tot moord). 2. Bewijsklacht uitvoer en invoer van cocaïne. Valt onder invoer a.b.i. art. 1.3 Opiumlandsverordening 1960 ook “invoeren” van verdovende middelen in ander land (Frankrijk)?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 19 mei 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:490
  2. Hoge Raad · 14 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1209

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/02062 C

Datum 14 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 20 maart 2025, nummer H 127/2022, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.