Strafrecht overig

Poging tot doodslag door meermalen met mes in borst en buik van ander te steken, art. 287 Sr. Strafmotivering…

Hoge Raad, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
10 juli 2026
Zaaknummer
24/02611
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1276
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag door meermalen met mes in borst en buik van ander te steken, art. 287 Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf van 5 jaren). Kon hof bij strafoplegging (als strafverzwarende omstandigheid) in aanmerking nemen dat verdachte met vol opzet heeft geprobeerd ander te doden?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 juli 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:4316
  2. Conclusie A-G · 9 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:498
  3. Hoge Raad · 14 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1276

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02611

Datum 14 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 juli 2024, nummer 20-001365-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en zes maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.