Strafrecht overig

Medeplegen opzettelijke brandstichting in personenauto (art. 157.1 Sr). Bewijsklachten medeplegen en opzet op…

Hoge Raad, 3 februari 2026

Zaakgegevens

Op 3 februari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 februari 2026
Datum publicatie
30 januari 2026
Zaaknummer
24/03538
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:162
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen opzettelijke brandstichting in personenauto (art. 157.1 Sr). Bewijsklachten medeplegen en opzet op brandstichting bij medeverdachte. Kan uit bewijsvoering “voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte” worden afgeleid, nu verdachte het vuur heeft aangestoken, terwijl medeverdachte de vluchtauto ging halen?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04318.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 5 september 2024

    ECLI:NL:GHARL:2024:5663
  2. Conclusie A-G · 16 december 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1389
  3. Hoge Raad · 3 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:162

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03538

Datum 3 februari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2024, nummer 21-000295-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.