Strafrecht overig
Poging tot doodslag (art. 287 Sr). 1. Noodweer, art. 41.1 Sr. Kon hof oordelen dat gedragingen van verdachte…
Hoge Raad, 10 maart 2026
ECLI:NL:HR:2026:284 · Hoge Raad · 10 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-284
Zaakgegevens
Op 10 maart 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 maart 2026
- Datum publicatie
- 23 februari 2026
- Zaaknummer
- 24/01387
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:284
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Poging tot doodslag (art. 287 Sr). 1. Noodweer, art. 41.1 Sr. Kon hof oordelen dat gedragingen van verdachte, die door slachtoffer in zijn been is gestoken, naar uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden aangemerkt als verdediging maar als aanvallend moeten worden gezien? 2. Schriftuur benadeelde partij. Vordering b.p., schadevergoedingsmaatregel en eigen schuld b.p. (art. 6:101.1 BW). Kon hof de vordering b.p. gedeeltelijk afwijzen wegens eigen schuld van b.p. en in verlengde daarvan ook schadevergoedingsmaatregel voor lager bedrag opleggen?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 28 maart 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:798Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 februari 2026
ECLI:NL:PHR:2026:135Hoge Raad · 10 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:284
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01387
Datum 10 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 maart 2024, nummer 23-002619-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.S. Nan bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat A. van Kernebeek, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de verdachte en de benadeelde partij zijn voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.