Strafrecht overig

Poging tot zware mishandeling door met vrachtauto een bestelbus te rammen en van de weg te duwen (art. 302.1…

Hoge Raad, 12 mei 2026

Zaakgegevens

Op 12 mei 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 mei 2026
Datum publicatie
19 maart 2026
Zaaknummer
24/04397
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:456
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot zware mishandeling door met vrachtauto een bestelbus te rammen en van de weg te duwen (art. 302.1 Sr) en vernieling van die bestelbus (art. 350.1 Sr). Afwijzing van een bij brief gedaan en op latere tz. in hoger beroep herhaald verzoek tot het horen van deskundige (die eerder rapport heeft opgemaakt), op de grond dat hof zich voldoende voorgelicht acht en geen noodzaak ziet om nader onderzoek te laten doen.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27 november 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:3957
  2. Conclusie A-G · 3 maart 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:200
  3. Hoge Raad · 12 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:456

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04397

Datum 12 mei 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 november 2024, nummer 20-002124-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2026.