Strafrecht overig

Meerdere diefstallen (art. 310 Sr) en belediging van meerdere ambtenaren (art. 266 jo. 267.1.2 Sr)…

Hoge Raad, 24 maart 2026

Zaakgegevens

Op 24 maart 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 maart 2026
Datum publicatie
23 maart 2026
Zaaknummer
24/00729
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:479
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Meerdere diefstallen (art. 310 Sr) en belediging van meerdere ambtenaren (art. 266 jo. 267.1.2 Sr). Aanhoudingsverzoek ttz. in hoger beroep door niet gemachtigde raadsman gedaan op de grond dat verdachte niet is verschenen terwijl zij aan raadsman had laten weten aanwezig te zullen zijn, door hof afgewezen o.g.v. overweging dat voortgang van zaak belangrijk is, verdachte kennelijk geen belangstelling had om aanwezig te zijn en er weinig kans bestaat dat zij op later moment alsnog zal verschijnen.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/00731 en 24/00732.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 maart 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:214
  2. Hoge Raad · 24 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:479

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00729

Datum 24 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 februari 2024, nummer 21-001891-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.F.J. Kramer bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.