Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 19,5 miljoen euro van 3 buitenlandse handelsbanken op Schiphol t.z.v…

Hoge Raad, 10 februari 2026

Zaakgegevens

Op 10 februari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 februari 2026
Datum publicatie
12 januari 2026
Zaaknummer
24/03592
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:49
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 19,5 miljoen euro van 3 buitenlandse handelsbanken op Schiphol t.z.v. verdenking van witwassen, terwijl centrale bank ‘shipper’ is van dat geld van Suriname naar China. Centrale bank en handelsbanken hebben gezamenlijk klaagschrift ingediend, waarna hof beklag ongegrond heeft verklaard en verweer dat inbeslagneming strijdig is met immuniteit die centrale bank o.g.v. internationaal gewoonterecht geniet, heeft verworpen. 1. Beroep op (staats)immuniteit van centrale bank. Kon hof oordelen dat centrale bank geen immuniteit geniet omdat niet is komen vast te staan dat inbeslaggenomen geld ‘property’ van centrale bank is, dat bestemd is of wordt aangewend voor taakuitoefening van centrale bank i.v.m. monetaire politiek en valutabeleid? 2. Toepasselijke maatstaf, summier karakter onderzoek in raadkamer. Heeft hof verzuimd minder restrictief criterium aan te leggen dan vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter (later oordelend) zal overgaan tot verbeurdverklaring van beslagene? 3. Beroep op onrechtmatigheid van beslag op de grond dat t.a.v. klaagsters geen redelijk vermoeden van schuld aan witwassen van inbeslaggenomen 19,5 miljoen euro bestond. Heeft hof verzuimd te beslissen op standpunt van klaagsters inhoudende dat beslag onrechtmatig is gelegd en/of gehandhaafd? 4. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting van beslag. Kon hof - in het licht van aangevoerde over persoonlijke belangen van klaagster bij opheffing van beslag (door klaagsters is voldoende zekerheid aan OM geboden) - oordelen dat belang van strafvordering de voortduring van beslag vergt? 5. Heeft hof verzuimd te beslissen op standpunt van klaagsters dat beslag op deel van beslagene onrechtmatig is gelegd, omdat verdenking van witwassen niet alle inbeslaggenomen gelden betreft?

HR: art. 81.1 RO. Vervolg op HR:2023:980 en HR:2021:1042.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 6 augustus 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:1347
  2. Conclusie A-G · 2 december 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1300
  3. Hoge Raad · 10 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:49

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03592 B

Datum 10 februari 2026

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2024, nummers AV 000877-23, AV 000884-23, AV 000882-23 en AV 000880-23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[bank 1] ,

[bank 2] N.V.,

[bank 3] N.V.,

[bank 4] N.V.,

alle gevestigd in [plaats] (Suriname),

hierna: de klaagsters.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagsters. Namens deze hebben de advocaten A.J.F. Gonesh, A. Verbruggen, R. de Bree en F.H.H. Sijbers bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden Gonesh, Verbruggen en De Bree hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheer T. Kooijmans als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.