Strafrecht overig

Deelneming aan criminele organisatie die zich bezighoudt met phishingfraude, art. 140.1 Sr. 1. Uitdrukkelijk…

Hoge Raad, 31 maart 2026

Zaakgegevens

Op 31 maart 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31 maart 2026
Datum publicatie
25 maart 2026
Zaaknummer
23/03787
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:490
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deelneming aan criminele organisatie die zich bezighoudt met phishingfraude, art. 140.1 Sr. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid van verklaringen van medeverdachte, art. 359.2 Sv. 2. Overschrijding redelijke termijn in feitelijke aanleg. Kon hof volstaan met strafkorting van 4 maanden?

HR: art. 81.1. RO. Samenhang met 23/03804 P en met 23/03766 P, 23/03767 en 23/03890 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte/betrokkene n-o).

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 29 april 2019

    ECLI:NL:RBDHA:2019:4231
  2. Gerechtshof Den Haag · 20 september 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:3005
  3. Conclusie A-G · 6 januari 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:4
  4. Hoge Raad · 31 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:490

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/03787

Datum 31 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2023, nummer 22-001928-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.