Strafrecht overig
Dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld in het verkeer door in 2020 in Reuver als bestuurder van auto…
Hoge Raad, 31 maart 2026
ECLI:NL:HR:2026:511 · Hoge Raad · 31 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-511
Zaakgegevens
Op 31 maart 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 maart 2026
- Datum publicatie
- 26 maart 2026
- Zaaknummer
- 24/03797
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:511
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld in het verkeer door in 2020 in Reuver als bestuurder van auto zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden door binnen bebouwde kom (maximumsnelheid van 50 kilometer per uur) met snelheid van 76 à 100 kilometer per uur te rijden, terwijl hij tijdens het rijden is afgeleid door scherm van zijn autoradio, en overstekende fietser met achterop haar 12-jarige dochter aan te rijden, art. 6 WVW 1994. Bewijsklachten “zeer onvoorzichtig en onoplettend” rijgedrag. 1. Grondslagverlating. Heeft hof grondslag van tll. verlaten door aan bewezenverklaring van “zeer onvoorzichtig en onoplettend” rijden niet tlgd. omstandigheid ten grondslag te leggen? 2. Redengevendheid van bewijsvoering voor bewezenverklaard “zeer onvoorzichtig en onoplettend” handelen. Kon hof oordelen dat verdachte “zeer onvoorzichtig en onoplettend” heeft gereden, nu ’s hofs vaststelling dat verdachte werd opgejaagd door andere auto niet uit bewijsmiddelen volgt?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 januari 2026
ECLI:NL:PHR:2026:95Hoge Raad · 31 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:511
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03797
Datum 31 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 oktober 2024, nummer 20-001990-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.