Strafrecht overig
Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVWW 1994. 1. Bewijsklacht “bevel”. Is sprake van “bevel” tot…
Hoge Raad, 7 april 2026
ECLI:NL:HR:2026:554 · Hoge Raad · 7 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-554
Zaakgegevens
Op 7 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 april 2026
- Datum publicatie
- 1 april 2026
- Zaaknummer
- 23/04074
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:554
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVWW 1994. 1. Bewijsklacht “bevel”. Is sprake van “bevel” tot medewerking aan bloedonderzoek a.b.i. art. 163.5 WVW 1994, nu p-v van bevindingen m.b.t. rijden onder invloed inhoudt dat hulp OvJ medewerking daaraan heeft “gevorderd”? 2. Afwijzing van ttz. in hoger beroep voorwaardelijk gedaan verzoek tot horen van hulp OvJ als getuige, o.g.v. noodzaakcriterium, nu hof door hulp OvJ opgemaakt aanvullend p-v niet voor bewijs gebruikt.
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 4 oktober 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:3617Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 januari 2026
ECLI:NL:PHR:2026:102Hoge Raad · 7 april 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:554
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04074
Datum 7 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 oktober 2023, nummer 23-002783-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Nu het hof alleen de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen heeft opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden (vgl. HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7086).
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.