Strafrecht overig

Voorbereidingshandeling m.b.t. productie van GHB door als huurder van loods 937 liter GBL voorhanden te…

Hoge Raad, 7 april 2026

Zaakgegevens

Op 7 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 april 2026
Datum publicatie
3 april 2026
Zaaknummer
23/04884
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:559
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorbereidingshandeling m.b.t. productie van GHB door als huurder van loods 937 liter GBL voorhanden te hebben, art. 10a.1.3 jo. 10.4 Opiumwet. 1. Bewijsklacht opzet, innerlijke tegenstrijdigheid bewijsvoering. Kon hof oordelen dat verdachte opzet had op bevordering van een van de in art. 10.4 Opiumwet strafbaar gestelde gedragingen? 2. Bewijsklacht voorhanden hebben van GBL.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 februari 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:323
  2. Conclusie A-G · 27 januari 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:101
  3. Conclusie A-G · 3 maart 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:187
  4. Hoge Raad · 7 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:559

  5. Hoge Raad · 7 april 2026

    ECLI:NL:HR:2026:560

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04884

Datum 7 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2023, nummer 21-004840-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.