Strafrecht overig
Medeplegen opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van 51 kilo cocaïne in de door hem bestuurde bedrijfsauto…
Hoge Raad, 19 mei 2026
ECLI:NL:HR:2026:625 · Hoge Raad · 19 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-625
Zaakgegevens
Op 19 mei 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 mei 2026
- Datum publicatie
- 10 april 2026
- Zaaknummer
- 24/02516
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:625
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van 51 kilo cocaïne in de door hem bestuurde bedrijfsauto met verborgen ruimte (art. 2.B en 2.C Opiumwet) en deelnemen aan criminele (drugs)organisatie die zich bezighoudt met grootschalige (internationale) handel in cocaïne en gewoontewitwassen (art. 11b.1 Opiumwet). 1. Grondslagverlating deelnemen aan criminele organisatie. Heeft hof grondslag van tll. verlaten door aan onderdeel van tll. een uitleg te geven die niet strookt met bewoordingen daarvan, terwijl verdachte geen gelegenheid heeft gehad zich tegen die ruimere (interpretatie van) tll. te verdedigen? 2. Bewijsklacht vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne t.a.v. opzet. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte zich minst genomen bewust is geweest van aanmerkelijke kans dat zich in de door hem bestuurde auto een hoeveelheid cocaïne bevond? 3. Bewijsklachten deelnemen aan criminele organisatie t.a.v. concrete betrokkenheid van verdachte vóór 4-3-2014, witwassen van winsten van organisatie en bewezenverklaring van hetzelfde feit. 4. Strafmotivering (gevangenisstraf van 38 maanden), art. 359.6 Sv. Heeft hof verzuimd te vermelden welk deel van opgelegde gevangenisstraf in elk geval (in penitentiaire inrichting) ten uitvoer zal worden gelegd?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02518 en 24/02580.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 2 juli 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:1846Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 maart 2026
ECLI:NL:PHR:2026:220Hoge Raad · 19 mei 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:625
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02516
Datum 19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, nummer 23-004360-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en S.J. van der Woude bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.