Strafrecht overig
Voorbereidingshandelingen m.b.t. cocaïnehandel (art. 10a.1.2 Opiumwet), als leider deelnemen aan criminele…
Hoge Raad, 19 mei 2026
ECLI:NL:HR:2026:627 · Hoge Raad · 19 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-627
Zaakgegevens
Op 19 mei 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 mei 2026
- Datum publicatie
- 10 april 2026
- Zaaknummer
- 24/02580
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:627
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorbereidingshandelingen m.b.t. cocaïnehandel (art. 10a.1.2 Opiumwet), als leider deelnemen aan criminele (drugs)organisatie die zich bezighoudt met grootschalige (internationale) handel in cocaïne en (gewoonte)witwassen (art. 11b.2 Opiumwet jo. 140.4 Sr) en medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 89.230) (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.a.v. deelnemen aan criminele organisatie, v.zv. inhoudende dat (gewoonte)witwassen oogmerk van organisatie was en dat verdachte een van leiders was. 1. Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan en op nadere tz. in h.b. herhaald verzoek tot horen van medeverdachte (zus van verdachte) als getuige, op de grond dat het niet aannemelijk is dat getuige binnen aanvaardbare termijn kan worden gehoord, art. 288.1.a Sv. 2. Bewijsklachten deelnemen aan criminele organisatie t.a.v. grondslagverlating, innerlijke tegenstrijdigheid in bewijsvoering, oogmerk van organisatie, onderdeel dat verdachte een van leiders van organisatie was en meerdaadse samenloop a.b.i. art. 57 Sr.
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02516 en 24/02518.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 2 juli 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:1843Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 maart 2026
ECLI:NL:PHR:2026:204Hoge Raad · 19 mei 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:627
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02580
Datum 19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, nummer 23-004362-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.