Strafrecht overig

Medeplegen invoer van 3.776 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet). 1. Toewijzing van vordering van A-G tot…

Hoge Raad, 14 april 2026

Zaakgegevens

Op 14 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
10 april 2026
Zaaknummer
24/02523
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:632
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen invoer van 3.776 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet). 1. Toewijzing van vordering van A-G tot aanvulling van processtukken o.g.v. eisen die voortvloeien uit beginselen van behoorlijke procesorde en afwijzing van ttz. in hoger beroep voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek van verdediging o.g.v. noodzaakcriterium. 2. Bewijsklachten opzet en medeplegen.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02511, 24/02527 en 24/02659.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 2 juli 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:1103
  2. Conclusie A-G · 13 januari 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:54
  3. Hoge Raad · 14 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:632

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02523

Datum 14 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nummer 22-001220-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. van Stratum bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze één jaar en elf maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.