Strafrecht overig

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. diefstal, art. 310 Sr. Aanwezigheidsrecht en aanhoudingsverzoek (door…

Hoge Raad, 21 april 2026

Zaakgegevens

Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 april 2026
Datum publicatie
16 april 2026
Zaaknummer
25/00189
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:672
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. diefstal, art. 310 Sr. Aanwezigheidsrecht en aanhoudingsverzoek (door hof afgewezen o.g.v. belangenafweging) t.a.v. verdachte (Poolse nationaliteit) die Nederland zou zijn uitgezet nadat dagvaarding in hoger beroep in persoon aan hem was uitgereikt maar voordat vertaling van dagvaarding per gewone post is verzonden naar zijn adres in Polen. Is voldaan aan inspanningsverplichting om verdachte voorafgaand aan verwijdering in kennis te stellen van procedure en aan verplichting tot nemen van maatregelen die verdachte daadwerkelijk in staat stellen om zijn proces bij te wonen?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 21 januari 2025

    ECLI:NL:GHDHA:2025:2979
  2. Conclusie A-G · 10 februari 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:160
  3. Hoge Raad · 21 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:672

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/00189

Datum 21 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 januari 2025, nummer 22-001163-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P.M. Langereis bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.