Strafrecht overig

Aanwezig hebben van 101,1 gram methamfetamine, art. 2.C Opiumwet. Kernroljurisprudentie. Had hof…

Hoge Raad, 12 mei 2026

Zaakgegevens

Op 12 mei 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 mei 2026
Datum publicatie
8 mei 2026
Zaaknummer
23/04687
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:750
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanwezig hebben van 101,1 gram methamfetamine, art. 2.C Opiumwet. Kernroljurisprudentie. Had hof (enkelvoudige kamer) de zaak naar Rb moeten terugwijzen, nu Poolse vertaling van dagvaarding in eerste aanleg in dossier ontbreekt en in e.a. is verzuimd vertaling te versturen naar bekend adres van verdachte in Nederland?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04686.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 maart 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:240
  2. Hoge Raad · 12 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:750

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04687

Datum 12 mei 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2023, nummer 22-002707-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.M.V. Bandhoe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2026.