Strafrecht overig
Strafrechtelijk onderzoek “Klaproos”. Passieve niet ambtelijke omkoping door als treasury & control manager…
Hoge Raad, 9 juni 2026
ECLI:NL:HR:2026:890 · Hoge Raad · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-890
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 5 juni 2026
- Zaaknummer
- 23/04790
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:890
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Strafrechtelijk onderzoek “Klaproos”. Passieve niet ambtelijke omkoping door als treasury & control manager bij woningcorporatie bij het afsluiten van geldleningsovereenkomsten en derivaatcontracten bij banken het bedrijf van medeverdachten in te schakelen in ruil voor doorbetaling van gedeelte van “fees” die dat bedrijf dankzij deze samenwerking ontvangt van banken (art. 328ter.1 (oud) Sr), valsheid in geschrift, meermalen gepleegd door in e-mailberichten van banken informatie over het betalen van “fee” weg te halen alvorens deze door te sturen naar woningcorporatie (art. 225.1 Sr) en gewoontewitwassen door doorbetaalde bedragen te besteden aan verschillende privé aangelegenheden (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklacht valsheid in geschrift. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. bewijsbestemming van “pre-confirmation” e-mailberichten, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklacht gewoontewitwassen. Kon hof oordelen dat het betalen van belasting over de uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen de witwashandelingen omzetten en/of overdragen oplevert?
HR: art.81.1 RO. Samenhang met 23/04749 en 23/04756.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 17 juli 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:5753Gerechtshof Den Haag · 24 november 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:2278Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 maart 2026
ECLI:NL:PHR:2026:344Hoge Raad · 9 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:890
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04790
Datum 9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 november 2023, nummer 22-003101-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.S. Nan en S.A.H. Vromen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft bij conclusie en bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman J.S. Nan heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.