Strafrecht overig
Herziening van mondeling vonnis van Tuchtrechter voor Prijzen. In zijn verkoopplaats geen inkoopfacturen van…
Hoge Raad, 9 december 1947
ECLI:NL:HR:1947:58 · Hoge Raad · 9 december 1947
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-1947-58
Zaakgegevens
Op 9 december 1947 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 december 1947
- Datum publicatie
- 13 juli 2018
- Zaaknummer
- 3254
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1947:58
Samenvatting
Herziening van mondeling vonnis van Tuchtrechter voor Prijzen. In zijn verkoopplaats geen inkoopfacturen van schoenen aanwezig hebben, art. 7.3 Prijzenbeschikking Handelsmarges Schoenen 1946 II. Ontvankelijkheid herzieningsaanvraag van mondeling vonnis van Tuchtrechter voor Prijzen. Aangevoerd wordt dat door vennootschap aan Tuchtrechter is medegedeeld dat haar bij Prijsvaststelling No. 855/092.51/611 ontheffing was verleend van verplichting tot vermelding van fabrieksprijzen op haar facturen bij levering aan detailbedrijven, die onder haar naam werken, en dat die mededeling na veroordeling heeft plaatsgevonden, art. 457.2 Sv.
Aanvraag is kennelijk hierop gegrond dat Directeur-Generaal voor Prijzen ex art. 8 Prijzenbeschikking Handelsmarges Schoenen 1946 II een afwijking heeft vastgesteld, die ter zitting niet is gebleken en die bij bekendheid aan rechter alleszins reden had kunnen geven dat aanvrager zou zijn ontslagen van alle rechtsvervolging. Bij aanvraag is overgelegd afschrift van Prijsvaststelling 856/092.51/611, waarbij is gevoegd voorwaardelijk gegeven vrijstelling a.b.i. aanvraag.
HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar hof. CAG (strekking): niet-ontvankelijkverklaring van aanvraag.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 november 1947
ECLI:NL:PHR:1947:1Hoge Raad · 9 december 1947deze uitspraak
ECLI:NL:HR:1947:58
Uitspraak
No.3254.
Herziening.
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Op de aanvrage van [aanvrager], geboren [geboortedatum] 1917 te [geboorteplaats], wonende te [plaats], om herziening van een in kracht van gewijsde gegaan mondeling vonnis van den Tuchtrechter voor de Prijzen in het Arrondissement Assen van den twintigsten December 1947, (lees 1946) waarbij hij bij verstek ter zake van "het niet nakomen van een krachtens artikel 3 of 4 van de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939 gegeven voorschrift" is veroordeeld tot een geldboete van tien gulden;
Gehoord het verslag van den Raadsheer-rapporteur van der Meulen;
Gehoord den Advocaat-Generaal Langemeijer, namens den Procureur Generaal, in zijn requisitoir, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring der aanvrage;
Gezien de stukken;
Overwegende, dat bij voormeld vonnis ten laste van aanvrager is bewezen verklaard, dat hij als kleinhandelaar in schoenen op of omstreeks 15 November 1946 te [plaats] in strijd met artikel 7 lid 3 Prijzenbeschikking Handelsmarges Schoenen 1946 II geen op de betreffende schoenen betrekking hebbende inkoopfacturen, dan wel door hem gewaarmerkte afschriften, in zijn verkoopplaats aanwezig
had;
Overwegende dat de aanvrage hierop berust dat door de N. V. [A] aan den Tuchtrechter is medegedeeld dat haar bij Prijsvaststelling No. 855/092.51/611 ontheffing was verleend van de verplichting tot vermelding van de fabrieksprijzen op hare facturen bij levering aan detailbedrijven, werkende onder haar naam, welke mededeling na de veroordeling plaats vond;
Overwegende dat de aanvrage kenlijk dus hierop is gegrond dat de Directeur-Generaal voor de Prijzen ingevolge artikel 8 der genoemde beschikking een afwijking heeft vastgesteld, welke ter zitting niet is gebleken, en welke bij bekendheid aan den rechter alleszins reden had kunnen geven dat aanvrager zou zijn ontslagen van alle rechtsvervolging;
Overwegende dat bij de aanvrage is overgelegd een afschrift van de Prijsvaststelling 856/092. 51/611, waarbij is gevoegd een voorwaardelijk gegeven vrijstelling als in de aanvrage bedoeld;
Overwegende dat dan ook de aanvrage gegrond is te oordelen;
Gezien artikel 465 Wetboek van Strafvordering;
Verklaart de aanvrage gegrond;
Beveelt de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden ten einde haar te berechten in voege als in het tweede lid van artikel 465 voornoemd is voorzien.
Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heren Fick, Vice-President, van der Meulen, Feber, Rombach en de Jong, Raden, in bijzijn van den Substituut-Griffier Achterbergh, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den negenden December 1900 Zeven en Veertig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren alsmede van den Advocaat-Generaal Langemeijer.