Strafrecht overig

Herziening van tuchtbeschikking van Inspecteur voor Prijsbeheersing in Algemenen Dienst. Overtreding van…

Hoge Raad, 11 mei 1948

Zaakgegevens

Op 11 mei 1948 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
11 mei 1948
Datum publicatie
13 juli 2018
Zaaknummer
3290
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1948:118
E-mail

Samenvatting

Herziening van tuchtbeschikking van Inspecteur voor Prijsbeheersing in Algemenen Dienst. Overtreding van Prijzenbeschikking 1940 N° 1 en art. 5 Prijsvormingsbesluit 1941. Is herziening mogelijk van tuchtbeschikking van Inspecteur voor Prijsbeheersing in Algemenen Dienst?

Tuchtbeschikking van Inspecteur voor Prijsbeheersing in Algemenen dienst betreft niet uitspraak (arrest of vonnis) van “rechter” a.b.i. in art. 457 Sv, zodat aanvraag niet kan worden ontvangen.

Aanvraag n-o.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 15 april 1948

    ECLI:NL:PHR:1948:2
  2. Hoge Raad · 11 mei 1948deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1948:118

Uitspraak

Nº 3290

Herziening

DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

Beschikkende in Raadkamer,

Op de aanvrage van de N.V. [aanvrager] , gevestigd en kantoorhoudend te [plaats], om herziening van een in kracht van gewijsde gegane tuchtbeschikking van den Inspecteur voor de Prijsbeheersing in Algemenen Dienst te Deventer van 9 April 1943, waarbij genoemde N.V. ter zake van overtreding van de Prijzenbeschikking 1940 Nº 1 en van artikel 5 van het Prijs -- vormingsbesluit 1941, is veroordeeld tot een geldboete van vijftigduizend gulden met openbaarmaking van de tuchtbeschikking en veroordeling in de kosten ten belope van twee duizend vijfhonderd gulden;

Gezien de conclusie van den Advocaat-Generaal Wijnveldt, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek;

Gezien de stukken;

Overwegende dat een tuchtbeschikking van een Inspecteur voor de Prijsbeheersing in Algemenen dienst niet betreft een uitspraak (arrest of vonnis) van een "rechter" als bedoeld in artikel 457 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de aanvrage niet kan worden ontvangen ;

Gezien artikel 457 van het Wetboek van strafvordering;

Verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Gedaan en gewezen den elfden Mei 1900 Acht en Veertig bij de Heren, Fick, Vice-President, van der Meulen, Feber, Rombach en Vrij, Raden, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Achterbergh, die deze beschikking hebben ondertekend .