Strafrecht overig

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Israëlische nationaliteit) naar Bondsrepubliek Duitsland t.z.v…

Hoge Raad, 19 september 1983

Zaakgegevens

Op 19 september 1983 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 september 1983
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
76080U
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1983:AC8096
E-mail

Samenvatting

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Israëlische nationaliteit) naar Bondsrepubliek Duitsland t.z.v. verdenking van feiten zoals omschreven in uitspraak Rb. Is vervolging in Duitsland nog mogelijk, nu feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ruim 2 jaren geleden zijn gepleegd en opgeëiste persoon destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden?

Van feitelijke stellingen waarop beroep wordt gedaan, te weten dat (a) “feiten waarvoor thans uitlevering wordt gevraagd ruim 2 jaren geleden zijn gepleegd” en (b) opgeëiste persoon “destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden”, is stelling (a) in overeenstemming met de in Haftbefehl van Duitse rechter gegeven omschrijving van bedoelde feiten. Stelling (b) daarentegen vindt geen steun in inhoud van stukken en mist derhalve feitelijke grondslag. V.zv. middel bedoelt te betogen dat opgeëiste persoon t.z.v. deze feiten in Duitsland niet meer kan worden vervolgd wegens het verstreken zijn van termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM, steunt het op beide hiervoor bedoelde feitelijke stellingen samen. Aangezien stelling (b) feitelijke grondslag mist, kan dit betoog reeds daarom niet tot cassatie leiden. V.zv. middel stelt dat Rb de uitlevering niet toelaatbaar mocht verklaren omdat recht tot strafvordering is verjaard, miskent het dat recht tot strafvordering t.z.v. deze feiten naar Nederlands recht niet is verjaard en dat niet blijkt dat door opgeëiste persoon bij Rb een beroep op verjaring naar Duits recht is gedaan, zodat Rb niet gehouden was ervan te doen blijken ten aanzien daarvan onderzoek te hebben ingesteld.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 14 juni 1983

    ECLI:NL:PHR:1983:AC8096
  2. Hoge Raad · 19 september 1983deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1983:AC8096

Uitspraak

19 september 1983

Strafkamer

Nr. 76.080 U

LG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 april 1983 omtrent een verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland tot uitlevering van:

[verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te Amsterdam.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [verzoeker] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door [verzoeker] . Namens deze heeft Mr. J.G. Cnossen, advocaat te Amsterdam,

het navolgende middel van cassatie voorgesteld en bij pleidooi toegelicht:

Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 9 sub e en 28 Uitleveringswet.

Toelichting op grond van Nederlands recht en het Verdrag van Rome is geen vervolging meer mogelijk omdat de feiten waarvoor thans uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd en de requirant destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden. Terzake is requirant later vrijgelaten en nimmer meer vervolgd. De vervolgende instanties dienen binnen een redelijke termijn tot vervolging over te gaan, bij gebreke waarvan het recht tot vervolging is verjaard en derhalve een eventuele vervolging niet ontvankelijk verklaard moet worden. Uitlevering kan derhalve niet meer worden gevraagd en is derhalve niet toelaatbaar.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Beoordeling van het middel

4.1 Van de feitelijke stellingen waarop het middel een beroep doet, te weten (a) dat "de feiten waarvoor thans uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd" en (b) dat [verzoeker] "destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden", is stelling (a) in overeenstemming met de in het Haftbefehl van het Amtsgericht Frankfurt am Main van 14 februari 1982 gegeven omschrijving van bedoelde feiten. Stelling (b) daarentegen vindt geen steun in de inhoud van de stukken van het geding en mist derhalve feitelijke grondslag.

4.2. Voor zover het middel bedoelt te betogen dat [verzoeker] ter zake van voormelde feiten in de Bondsrepubliek Duitsland niet meer kan worden vervolgd wegens het verstreken zijn van de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag, tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, steunt het op de beide in 4.1 bedoelde feitelijke stellingen tezamen. Aangezien stelIing (b) feitelijke grondslag mist, kan voormeld betoog reeds daarom niet tot cassatie leiden.

4.3. Voor zover het middel stelt dat de Rechtbank. de uitlevering niet toelaatbaar mocht verklaren omdat het recht tot strafvordering is verjaard, miskent het dat het recht tot strafvordering ter zake van voormelde feiten naar Nederlands recht niet is verjaard en dat niet blijkt dat door [verzoeker] bij de Rechtbank een beroep op verjaring, naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland is gedaan, zodat de Rechtbank niet gehouden was ervan te doen blijken dienaangaande een onderzoek te hebben ingesteld.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer Royer als voorzitter en de raadsheren De Groot, De. Waard, Jeukens en Haak, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mulder, en uitgesproken op 19 september 1983.