Strafrecht overig
Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Israëlische nationaliteit) naar Bondsrepubliek Duitsland t.z.v…
Parket bij de Hoge Raad, 14 juni 1983
ECLI:NL:PHR:1983:AC8096 · Parket bij de Hoge Raad · 14 juni 1983
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1983-ac8096
Zaakgegevens
Op 14 juni 1983 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 juni 1983
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 76080U
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1983:AC8096
Samenvatting
Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Israëlische nationaliteit) naar Bondsrepubliek Duitsland t.z.v. verdenking van feiten zoals omschreven in uitspraak Rb. Is vervolging in Duitsland nog mogelijk, nu feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ruim 2 jaren geleden zijn gepleegd en opgeëiste persoon destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden?
Van feitelijke stellingen waarop beroep wordt gedaan, te weten dat (a) “feiten waarvoor thans uitlevering wordt gevraagd ruim 2 jaren geleden zijn gepleegd” en (b) opgeëiste persoon “destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden”, is stelling (a) in overeenstemming met de in Haftbefehl van Duitse rechter gegeven omschrijving van bedoelde feiten. Stelling (b) daarentegen vindt geen steun in inhoud van stukken en mist derhalve feitelijke grondslag. V.zv. middel bedoelt te betogen dat opgeëiste persoon t.z.v. deze feiten in Duitsland niet meer kan worden vervolgd wegens het verstreken zijn van termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM, steunt het op beide hiervoor bedoelde feitelijke stellingen samen. Aangezien stelling (b) feitelijke grondslag mist, kan dit betoog reeds daarom niet tot cassatie leiden. V.zv. middel stelt dat Rb de uitlevering niet toelaatbaar mocht verklaren omdat recht tot strafvordering is verjaard, miskent het dat recht tot strafvordering t.z.v. deze feiten naar Nederlands recht niet is verjaard en dat niet blijkt dat door opgeëiste persoon bij Rb een beroep op verjaring naar Duits recht is gedaan, zodat Rb niet gehouden was ervan te doen blijken ten aanzien daarvan onderzoek te hebben ingesteld.
Volgt verwerping.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 juni 1983deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1983:AC8096
Hoge Raad · 19 september 1983
ECLI:NL:HR:1983:AC8096
Conclusie
n.
Nr. 76.080 U
Zitting 14 juni 1983
Mr. Leijten.
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak - een cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 26 april 1983, waarbij toelaatbaar werd verklaard de uitlevering ter vervolging aan de Duitse Bondsrepubliek van verzoeker - komt het bij pleidooi toegelichte middel van cassatie mij ondeugdelijk voor. Daarin wordt namelijk geponeerd, dat, nu de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd en verzoeker destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden, op grond van het Nederlands recht en van het Verdrag van Rome geen vervolging meer mogelijk is en dat daarom geen uitlevering van verzoeker gevraagd kan worden. Naar het mij voorkomt zal allereerst en vooral de rechter in de Duitse Bondsrepubliek moeten uitmaken of vervolging van verzoeker (nog) mogelijk is, terwijl bovendien (a) het Nederlands recht niet verbiedt tot vervolging over te gaan van een feit dat twee jaren geleden is gepleegd en waarvoor de verdachte toen is aangehouden, tenzij het feit van dien aard zou zijn, dat het verjaard was (overtreding) terwijl (b) het Verdrag van Rome aanhouding terzake van een strafbaar feit niet aanmerkt als het beginpunt van de "reasonable time" waarbinnen de gegrondheid van een tegen iemand ingestelde strafvervolging moet worden bepaald. Naar interpretatie van de Nederlandse rechter immers is aanhouding zondermeer niet te beschouwen als een vanwege de staat jegens de betrokkene verrichtte handeling, waaruit deze in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat het O.M. het ernstige voornemen heeft tegen hem een strafvervolging in te stellen (o.m. H.R. 6 januari 1981 N.J. 1981, 207 noot Th. W.v. V. ). En ook het Europese Hof voor de rechten van de mens, dat de termijn doet ingaan na "the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence" of in sommige gevallen na "other measures which carry the implication of such an allegation and which likewise substantially affect the situation of the suspect" (Corigiano en Foti case, beide van 10 december 1982) zal niet aan de aanhouding hebben gedacht als beginpunt van de termijn (zie ook pre-advies 1983, N.J.V. van E.P. von Brucken Fock, blz. 159).
Het middel niet gegrond achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,