Strafrecht overig

Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig

Hoge Raad, 24 november 1998

Zaakgegevens

Op 24 november 1998 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
24 november 1998
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
108.615
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1998:ZD3897
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 6 oktober 1998

    ECLI:NL:PHR:1998:ZD3897
  2. Hoge Raad · 24 november 1998deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1998:ZD3897

Uitspraak

24 november 1998

Strafkamer

nr. 108.615

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 augustus 1997 in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [plaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 21 december 1995 - de verdachte ter zake van "mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft en de schuldige dit misdrijf begaat tegen zijn wettige vader" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de beledigde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte "met kracht" tegen het lichaam van zijn vader heeft gestompt of geslagen.

3.2. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging vastgesteld dat de vader van de verdachte zich met en stuk hout heeft moeten verdedigen tegen de aanval van zijn zoon alsmede dat hij door zich te verweren zijn middenhandsbeentje heeft gebroken. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte zijn vader "met kracht" tegen het lichaam heeft gestompt of geslagen.

3.3. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Koster en Aaftink, in bijzijn van de waarnemend-griffier Smid-Verhage, en uitgesproken op 24 november 1998.