Strafrecht overig
Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig
Hoge Raad, 27 mei 2003
ECLI:NL:HR:2003:AF6600 · Hoge Raad · 27 mei 2003
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2003-af6600
Zaakgegevens
Op 27 mei 2003 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 27 mei 2003
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 02854/02 U
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2003:AF6600
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 27 mei 2003deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2003:AF6600
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 mei 2003
ECLI:NL:PHR:2003:AF6600
Uitspraak
27 mei 2003
Strafkamer
nr. 02854/02 U
AG/DAT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 17 december 2002, nummer RK 02/869, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, één en ander zoals in de bestreden uitspraak staat omschreven.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de partiële ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering - is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. M.J.C. Teurlings, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot het alsnog vermelden van art. 140 Sr als toepasselijke wetsbepaling en tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte het verweer heeft verworpen dat ertoe strekte de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren aangezien de uitlevering "vanwege het Amerikaanse rechtssysteem" - zoals het verweer in het middel wordt samengevat - een flagrante inbreuk zou maken op een de opgeëiste persoon ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht.
3.2. Ter zitting heeft de raadsman van de opgeëiste persoon een verweer gevoerd dat de Rechtbank als volgt heeft samengevat en verworpen:
" [Er zijn] redenen aan te nemen dat er sprake is van een verhoogd risico op een flagrante schending van het recht op een fair trial in de Verenigde Staten van Amerika. De raadsman verwijst dienaangaande naar de op 14 november 2002 door de kort gedingrechter te Den Haag gedane uitspraak in de zaak Dietz tegen de Staat der Nederlanden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding van de behandeling, teneinde de uitspraak van kort geding-rechter te Den Haag van april 2003 af te wachten.
(. . . )
Ten aanzien van een schending van het recht op een fair trial is de rechtbank van oordeel dat - gelet op het verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika - ervan dient te worden uitgegaan dat Nederland vertrouwen heeft in het rechtssysteem van de Verenigde Staten van Amerika. Gelet echter op de uitspraak in kort geding van de Rechtbank 's-Gravenhage d.d. 14 november 2002 (Dietz vs. de Staat der Nederlanden, KG 02/1190) is een beslissing daaromtrent thans aan de Minister van Justitie. De rechtbank zal in haar advies de Minister van Justitie attenderen op het namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de raadsman om aanhouding van de behandeling af. "
3.3. De Rechtbank heeft hetgeen de raadsman ter zitting heeft aangevoerd inzake een dreigende flagrante inbreuk op enig aan de opgeëiste persoon ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, kennelijk opgevat als een verweer dat ertoe strekte dat het Amerikaanse strafproces, zoals het in gevallen als het onderhavige in de praktijk wordt toegepast, in strijd is met het in art. 6 EVRM uitgedrukte recht op een eerlijk proces en uitlevering aan de Verenigde Staten reeds daarom een flagrante schending van art. 6 EVRM oplevert. Die uitleg is niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen de raadsman ter zitting heeft aangevoerd blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van 3 december 2002 gehechte pleitnotie, onder meer inhoudende :
"Op de vorige zitting heb ik u het strafsysteem uitgelegd en in uw beslissing over de door mij gestelde vragen gaf u aan dat het strafsysteem in de onderhavige procedure niet van belang is. Dat ben ik niet met u eens aangezien het hele systeem van plea bargaining draait om het strafsysteem.
(. . . )
Een rechter komt er niet aan te pas bij dit proces van keuzes maken. Van een eerlijke onderhandeling is dan ook geen sprake. Het is duidelijk dat sprake is van een enorme flagrante schending van het recht op een eerlijk proces. Onze relatie met de Verenigde Staten vraagt dat wij het vertrouwen hebben dat de Amerikaanse strafrechtelijke procedure voldoende waarborgen biedt voor de Nederlandse onderdaan. Maar dat vertrouwen is misplaatst. De praktijk van het Amerikaanse strafrecht, vooral in drugszaken, biedt onvoldoende garanties op een eerlijk proces.
(. . . )
Het Amerikaanse rechtssysteem is niet eerlijk en de uitlevering levert een flagrante schending, een ernstige inbreuk, op van het in artikel 6 EVRM neergelegde vereiste van een eerlijke procesvoering.
( ... )
Vele wetenschappers, advocaten, rechters, juristen en uiteraard burgers hebben zich verbaasd over het rechtssysteem in de V.S. Nu voor iedere betrokkene duidelijk is dat het systeem op niet ondergeschikte punten afwijkt van het Nederlandse systeem en men wel het vertrouwen in de VS wil houden, moet duidelijk worden hoe het daar nu echt werkt. Iedereen roert zich, verschillende politici durven stappen te ondernemen en ook de Haagse rechtbank wil er het fijne van weten. Naar mijn mening moet u de vragen ook stellen en moet u onderzoeken of inderdaad geen sprake is van een flagrante schending van het recht op een eerlijke vervolging, ofschoon ik uiteraard liever zie dat u het verzoek reeds nu ontoelaatbaar acht. "
3.4. In de onder 3.2 weergegeven overweging heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de strafvervolging en bestraffing in de verzoekende Staat plaatsvindt met eerbiediging van algemeen aanvaarde rechtsbeginselen welke het EVRM alsmede het IVBPR beogen te waarborgen.
Ook indien de verzoekende Staat, zoals in het onderhavige geval, niet is gebonden door het EVRM, moet ervan worden uitgegaan dat Nederland, als door het EVRM gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het onderhavige uitleveringsverdrag, heeft kunnen afstemmen op de aard en mate van erkenning van bedoelde fundamentele rechtsbeginselen in de verzoekende Staat (vgl. HR 1 juli 1985, NJ 1986, 162 rov. 6.1) . In aanmerking genomen dat het verweer steunt op de algemene stelling dat de strafvervolging en bestraffing in de verzoekende Staat, in gevallen als het onderhavige, in strijd is met voornoemde rechtsbeginselen, heeft de Rechtbank het verweer terecht verworpen.
3.5. De overige klachten die het middel bevat kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.6. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Beoordeling van de als derde middel aangeduide klacht
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 31, vierde lid, UW. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Vertogen waarbij slechts wordt verwezen naar in feitelijke aanleg verdedigde stellingen kunnen niet als zodanig worden aangemerkt, zodat de klacht niet als middel van cassatie is aan te merken en geen bespreking behoeft.
5. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
6.1. In aanmerking genomen dat volgens de aan de bestreden uitspraak gehechte bijlage mede sprake is van het gedurende enige tijd in een georganiseerd samenwerkingsverband begaan van een aantal misdrijven, leveren het samenzweren tot het invoeren, verspreiden en bezitten ter verspreiding van MDMA naar Nederlands recht op: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Hierbij verdient opmerking dat daaronder niet is begrepen de betrokkenheid van de opgeëiste persoon, op welke wijze dan ook, bij de uitvoer van 9.440 XTC-tabletten naar de Verenigde Staten van Amerika op 21 november 2000, waarvoor de uitlevering door de Rechtbank ontoelaatbaar is verklaard.
6.2. Gelet hierop had de Rechtbank in haar uitspraak art. 140 Sr dienen te vermelden als te dezen mede toepasselijke wetsbepaling. De Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen.
7. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 6.2 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
8. Beslissing
De Hoge Raad :
Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover daarin onder de toepasselijke wetsbepalingen niet is vermeld art. 140 Sr;
Vermeldt als mede toepasselijke wetsbepaling art. 140 Sr;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 27 mei 2003.