Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2003:AF6600 · Parket bij de Hoge Raad · 27 mei 2003
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2003-af6600
Zaakgegevens
Op 27 mei 2003 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 mei 2003
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 02854/02 U
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2003:AF6600
Procesgang
Hoge Raad · 27 mei 2003
ECLI:NL:HR:2003:AF6600Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 mei 2003deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2003:AF6600
Conclusie
Nr. 02854/02/U
Zitting 25 maart 2003 (bij vervroeging)
Mr Machielse
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. De Rechtbank Amsterdam heeft op 17 december 2002 de uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard.
2. Mr. M.C.J. Teurlings, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende zeven middelen van cassatie. In de middelen schuilen doublures, omdat het eerste middel een uitgebreid scala aan klachten herbergt, die in de overige middelen deels weer terugkeren. Vandaar dat in deze conclusie een klacht, die in het eerste middel is aangeroerd, wellicht bij de bespreking van dat eerste middel aan de orde zal worden gesteld, en dat de bespreking van een middel dat op die klacht is toegespitst kort zal uitvallen. Overigens bevat de schriftuur grotendeels een herhaling van de stellingen die in feitelijke aanleg zijn betrokken, maar dan voorafgegaan door de cassatieformule dat de rechtbank door te beslissen op een bepaald aangevoerd punt het recht heeft geschonden of vormen heeft verzuimd, zonder aan te geven waarin dan dat verzuim van de rechtbank is gelegen.
3.1. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het verweer heeft verworpen dat de opgeëiste persoon in de VS een behandeling te wachten staat die een flagrante schending van de hem ingevolge art. 6 EVRM toekomende rechten zal opleveren, gelet op de kenmerken van het Amerikaanse rechtssysteem.
De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen en beslist:
Bovendien zijn er redenen aan te nemen dat er sprake is van een verhoogd risico op een flagrante schending van het recht op een fair trial in de Verenigde Staten van Amerika. De raadsman verwijst dienaangaande naar de op 14 november 2002 door de kort gedingrechter te Den Haag gedane uitspraak in de zaak Dietz tegen de Staat der Nederlanden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding van de behandeling, teneinde de uitspraak van kort geding-rechter te Den Haag van april 2003 af te wachten.
Ten aanzien van een schending van het recht op een fair trial is de rechtbank van oordeel dat -gelet op het verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika- ervan dient te worden uitgegaan dat Nederland vertrouwen heeft in het rechtssysteem van de Verenigde Staten van Amerika. Gelet echter op de uitspraak in kort geding van de Rechtbank 's-Gravenhage d.d. 14 november 2002 (Dietz vs. de Staat der Nederlanden, KG 02/1190) is een beslissing daaromtrent thans aan de Minister van Justitie. De rechtbank zal in haar advies de Minister van Justitie attenderen op het namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de raadsman om aanhouding van de behandeling af.
De op 3 december 2002 overgelegde pleitnota voert aan (Ad 3, p. 10 e.v.) dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering zal worden blootgesteld aan een flagrante schending van het recht op een eerlijke berechting. De advocaat beriep zich daartoe op tal van argumenten. De duidelijke strekking van zijn betoog was dat de uitlevering primair ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, subsidiair dat aanhouding van de behandeling noodzakelijk was om van of via de Staat nadere inlichtingen te verkrijgen over het Amerikaanse rechtssysteem.
3.2. De door de Hoge Raad ontwikkelde benadering van een verweer dat een uitlevering wegens schending met de mensenrechten ontoelaatbaar dient te worden verklaard is als volgt. Uitgangspunt dient te zijn dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek, dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende algemeen aanvaarde beginselen, welke onder meer zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR, zal respecteren, en voorts dat dit beginsel uitzondering kan lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht dat dat aan de op Nederland rustende verplichting tot uitlevering in de weg staat.
3.3. De uitspraak van de rechtbank verwijst naar het in het uitleveringsverkeer tussen de VS en Nederland geldende vertrouwensbeginsel, maar beperkt zich enkel tot het herhalen van dat uitgangspunt. Voor zover de rechtbank zou hebben aangenomen dat het vertrouwensbeginsel een verfijndere toetsing zou uitsluiten en niet toelaat dat uitlevering ontoelaatbaar wordt verklaard als een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces in de verzoekende staat dreigt, geeft het blijk van miskenning van de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld. Als de rechtbank daarentegen zou hebben gemeend dat de uitlevering toelaatbaar moet worden verklaard omdat zich zo een flagrante schending niet dreigt voor te doen is dat impliciete oordeel niet gemotiveerd.
De vraag rijst of dit verzuim tot vernietiging behoort te leiden. Om die vraag te beantwoorden zal ik puntsgewijs de bezwaren die in de pleitnota zijn ontwikkeld nagaan teneinde te bezien of deze, indien vaststaand, een dusdanige flagrante schending van het recht op een eerlijk proces doen vrezen dat de verplichting van Nederland om het recht op een eerlijk proces te verzekeren aan de uitvoering van de verdragsverplichting tot uitlevering in de weg staat.
3.4.1. Vooreerst betoogt de pleitnota dat het systeem van plea-bargaining aannemelijk maakt dat de bezwarende verklaringen die in de VS tegen de opgeëiste persoon zijn afgelegd onbetrouwbaar zijn, omdat de zelf verdachte getuigen er alle belang bij hebben mee te werken met de Amerikaanse justitie en anderen te belasten. Deze stelling wordt kracht bijgezet door uitlatingen van Amerikaanse deskundigen aan te halen. Voorts zou de toegevoegde rechtsbijstand, waarop de opgeëiste persoon zal zijn aangewezen, van een bedenkelijk niveau zijn. In de onderhavige zaak zou de strafzaak gebouwd zijn op de inzet van getuigen die in feite infiltranten waren. Het Amerikaanse systeem zou zodanig zijn dat de opgeëiste persoon wel is gedwongen om te bekennen en een plea-agreement na te streven en aldus een schending van de praesumptio innocentiae en het verbod van zelfincriminatie genereren. De opgeëiste persoon die gaat voor een full trial krijgt immers te maken met een veel langere procesduur, met alle gevolgen van dien voor het regiem waaronder hij zal zijn gedetineerden voor het tijdstip waarop hij eventueel naar Nederland terug kan keren om zijn straf uit te zitten. Die dwang om maar te bekennen zou neerkomen op een verboden geestelijke foltering.
3.4.2. Voor wat betreft de wijze waarop de belastende verklaringen van de getuigen à charge in de VS tot stand zijn gekomen geldt mijns inziens het volgende. De betrouwbaarheid van die verklaringen staat ter beoordeling van de Amerikaanse rechter. Indien de opgeëiste persoon van mening is dat die verklaringen volstrekt onbetrouwbaar zijn kan hij ervoor kiezen die verklaringen ten volle te bestrijden. Dat die mogelijkheid bestaat wordt in de pleitnota niet ontkend. Dat aan die keuze risico's kleven lijkt mij juist, maar het beginsel van een fair trial lijkt mij in te houden dat men de mogelijkheid heeft getuigen te (doen) ondervragen. Ook in Nederland geldt dat de keuze voor het oproepen van getuigen een gedetineerde verdachte in een nadelige positie brengt wat betreft regiem en privileges, omdat daardoor de voorlopige hechtenis langer zal duren. De nadelen van zo een keuze in de VS zullen ongetwijfeld zwaarder zijn, maar dat staat er niet aan in de weg dat de opgeëiste persoon zijn rechten zal kunnen uitoefenen mocht hij daarvoor kiezen. Als hij die rechten kan uitoefenen is er een fair trial, ook als twijfel bestaat aan het waarheidsgehalte van de verklaringen die getuigen, die de opgeëiste persoon ten overstaan van een rechter kan ondervragen, hebben afgelegd of zullen afleggen. Een fair trial kan niet voorkomen dat getuigen onwaarheid spreken of proberen een verdachte te benadelen, maar strekt ertoe dat de verdediging een redelijke gelegenheid krijgt om die getuigen aan de tand te voelen, om aan te voeren waaróm zij niet de waarheid vertellen en om de kans te krijgen dat ook daadwerkelijk aan te tonen.
3.4.3. Het vooruitzicht van ontoereikende rechtsbijstand is nog slechts een verwachting, welke uitgaat van niet beargumenteerde en onderbouwde stellingen. De overheid is naar maatstaven van het EHRM in beginsel niet verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geboden rechtshulp in een individuele zaak:
Owing to the legal profession's independence, the conduct of the defence is essentially a matter between the defendant and his representative; under Article 6 § 3 (c) the Contracting States are required to intervene only if a failure by counsel to provide effective representation is manifest or sufficiently brought to their attention ( ... ).
Dat de Amerikaanse autoriteiten een klacht over een ontoereikende rechtsbijstand schouderophalend naast zich neer zullen leggen is niet gesteld.
3.4.4. De klacht dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon berust op de inzet van infiltranten - wellicht zelfs op Nederlandse bodem - vindt geen ondersteuning in hetgeen is aangevoerd. Het enkele feit dat onder toezicht MDMA zou zijn aangeschaft wil nog niet zeggen dat er van infiltranten gebruik is gemaakt, laat staan dat zo een opereren een flagrante schending oplevert van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces. Indien het Amerikaanse rechtssysteem per definitie zou uitsluiten dat informanten van justitie of getuigen à charge door de verdediging worden ondervraagd zou het anders komen te liggen, maar daarvoor zijn geen aanwijzingen.
3.4.5. Het feit dat aan het afwijzen van een plea-bargaining nadelen kleven, zelfs van aanzienlijke aard en omvang, betekent nog niet dat nu reeds vast staat dat er van een zodanige wanverhouding sprake is dat de opgeëiste persoon gedwongen wordt een overeenkomst met de autoriteiten te sluiten. Reijntjes schrijft in zijn noot onder een toepasselijk arrest dat een klacht bij de Nederlandse uitleveringsrechter over het Amerikaanse plea-bargaining alleen vruchtbaar kan zijn als dat fenomeen ook bij de meest gewetensvolle toepassing tot een ernstige inbreuk op het EVRM zal leiden. Schending van de praesumptio innocentiae of van het nemo-teneturbeginsel ligt ook niet voor de hand. De onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM betekent dat iemand die wordt vervolgd voor een strafbaar feit, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Zulks impliceert dat de verdachte niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat hij niet als schuldige mag worden aangemerkt voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld. Van een bedreiging van dit recht zal in het systeem van plea-bargaining geen sprake zijn. Het nemo-teneturbeginsel heeft de strekking slechts veroordelingen te verkrijgen 'without resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused.' Het stelsel van plea-bargaining biedt de opgeëiste persoon de mogelijkheid een keuze te maken. Wellicht heeft hij niet veel keuzemogelijkheden en kleven aan iedere optie nadelen, maar de dwangsituatie waarin hij verkeert heeft wél betrekking op een keuze; hij wordt door de autoriteiten niet gedwongen om bewijs tegen zichzelf aan te slepen. Nu zo een dwang niet voortvloeit uit het stelsel van plea-bargaining ontbreekt ook de grondslag voor de klacht dat zich geestelijke foltering zal voordoen.
Het bovenstaande voert mij tot de slotsom dat hetgeen is aangevoerd de rechtbank tot de beslissing had behoren te voeren dat er geen risico bestaat van een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces, zodat de rechtbank dit verweer slechts had kunnen verwerpen.
3.5. Het eerste middel bevat voorts nog de bewering dat vaak in de VS plotseling als extra beschuldiging ineens 'money laundering' aan de tenlastelegging wordt toegevoegd op grond van art. 15 lid 2 van het Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika, verder te noemen het Verdrag. Voor deze bewering geldt dat de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent de dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, in beginsel niet toekomt aan de rechter die ingevolge de Uitleveringswet heeft te oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Dit uitgangspunt kan weer uitzondering lijden indien de vrees voor een flagrante schending van een in art. 6 EVRM neergelegd recht gerechtvaardigd zou zijn, maar hetgeen door de advocaat in feitelijke instantie is aangevoerd is daarvoor te vaag en speculatief.
3.6. Op blz. 8 van de cassatieschriftuur komt nog de vrees ter sprake dat de redelijke termijn zal worden overschreden door de verwachte lange duur van de procedures in de VS, maar het enkele feit dat een overschrijding dreigt lijkt mij onvoldoende om een flagrante schending van art. 6 lid 1 EVRM aan te kunnen nemen. Daarvoor is meer nodig dan de vrees voor een blote overschrijding van de termijn zoals in de pleitnota in feitelijke aanleg is beschreven. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.
4.1. Het tweede middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geweigerd door de advocaat opgestelde vragen aan de autoriteiten van de VS te stellen waardoor het recht op een eerlijke verdediging zou zijn geschonden. Ter terechtzitting van 3 september 2002 heeft de advocaat van de opgeëiste persoon een lijst met vragen aan de rechtbank overhandigd met het verzoek die vragen aan de Amerikaanse autoriteiten te stellen. De rechtbank heeft dat verzoek toen afgewezen en het onderzoek geschorst. Op 3 december 2002 is het onderzoek wegens verandering in de samenstelling van de rechtbank opnieuw begonnen. De beslissing van de rechtbank houdt in dat is gelet op de behandeling ter zitting van 3 december 2002.
4.2. Het wil mij voorkomen dat ook in uitleveringszaken de rechters die de beslissing op het uitleveringsverzoek nemen het onderzoek ter zitting, waar het verzoek tot uitlevering is besproken, moeten hebben bijgewoond. De uitspraak op het verzoek tot uitlevering mag met andere woorden niet steunen op wat is voorgevallen tijdens een terechtzitting ten overstaan van een kamer van de rechtbank die van andere samenstelling is dan de kamer die de uitspraak heeft gedaan. Ook in de onderhavige zaak steunt de beslissing van de rechtbank, conform dit uitgangspunt, niet op het verhandelde ter zitting van 3 september 2002. Ter zitting van 3 december 2002 is het verzoek om die vragen te stellen niet herhaald. Het tweede middel keert zich dus met motiveringsklachten tegen een beslissing waarop de uitspraak niet steunt. Daarom faalt het.
5.1. Het derde middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte het verweer dat het uitleveringsverzoek is gedaan met een politiek oogmerk onbesproken heeft gelaten.
5.2. Primair ben ik van oordeel dat hetgeen in de schriftuur als middel Ill wordt gepresenteerd niet voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel zijn te stellen. In wezen komt het erop neer dat volgens de steller van het middel het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd omdat de rechtbank een verweer dat was gevoerd onbesproken heeft gelaten of ontoereikend heeft besproken. Dan volgt ter toelichting een herhaling van een deel van de inhoud van de pleitnota uit feitelijke aanleg. Aldus is geen stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen gepresenteerd. Het aangevoerde voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel gesteld dienen te worden en kan buiten beschouwing worden gelaten.
5.3. Subsidiair - voor het geval Uw Raad dit onderdeel van de schriftuur wel in aanmerking zou willen nemen - gaat het gevoerde betoog niet op gelet op het volgende. Voor alle duidelijkheid geef ik het gedeelte uit de pleitnota in feitelijke aanleg dat kennelijk volgens de steller van het middel hierover handelt integraal weer:
"Martin Witteveen, landelijk officier van de Unit Synthetische Drugs laat in Vrij Nederland van 13 juli 2002 weten dat er veel veranderd is sinds de ontmoeting tussen Kok en Clinton en dat het allemaal makkelijker gaat. Waarmee is gedreigd door Clinton weten we niet, maar ik denk dat ervan uit kan worden gegaan dat economische motieven ten grondslag liggen aan het zwichten voor de druk van Amerika. Zes maanden geleden kreeg Nederland nota bene een compliment van directeur van de DEA, Hutchinson. Het uileveringsverzoek zou eigenlijk alleen al om deze reden ontoelaatbaar moeten worden verklaard aangezien in artikel 4 van het Verdrag tussen Nederland en de VS wordt bepaald dat wanneer wordt aangetoond dat het verzoek tot uitlevering met een politiek oogmerk is gedaan, de uitlevering niet wordt toegestaan. Blijkens de Memorie van Antwoord bij artikel 4 van het Verdrag behoeft dit politiek motief niet uitsluitend met feiten te worden aangetoond maar zijn vermoedens voldoende om de uitlevering te weigeren. Me dunkt dat die vermoedens bestaan en dat het motief van het uitleveringsverzoek niet uitsluitend wordt gevraagd ten behoeve van het berechten van [de opgeëiste persoon], maar dat er inderdaad andere doeleinden zijn die niet dienen te worden gehonoreerd (zie Remmelink, Uitlevering, 4e druk, 1990, pag. 340). Een dergelijk oordeel kan natuurlijk niet aan de politiek (lees: de Minister) zelf worden overgelaten. Daar moet u naar mijn mening een oordeel over geven."
De steller van het middel verwijst in zijn toelichting vervolgens naar de conclusie van een proefschrift dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank nog niet was gepubliceerd en naar een bericht in de NRC ook weer van ná de uitspraak. Daarop kan in cassatie geen acht worden geslagen.
5.4. In de pleitnota van feitelijke aanleg betoogt de advocaat niet dat het delict waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht een politiek delict zou zijn in de zin van art.11 Uw. Uitlevering voor politieke delicten is ontoelaatbaar en de rechter zal die ontoelaatbaarheid hebben uit te spreken. Artikel 4 van het uitleveringsverdrag met de VS, waarop de steller van het middel doelt, heeft - voor zover hier relevant - de volgende inhoud:
1. Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht volgens de aangezochte Staat van politieke aard is of samenhangt met een strafbaar feit van politieke aard, dan wel wanneer wordt aangetoond dat het verzoek tot uitlevering met een politiek oogmerk is gedaan.
2. ( ... )
3. ( ... )
4. Het is de verantwoordelijkheid van de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat een beslissing te nemen over kwesties die uit hoofde van dit artikel worden opgeworpen, behalve voor zover de nationale wetten van die Staat die bevoegdheid uitdrukkelijk aan diens rechters toekennen.
Swart schrijft over deze bepaling dat aldus weigering van uitlevering mogelijk wordt als het verzoek om uitlevering op het eerste gezicht slaat op een commuun delict, maar als daarachter een politiek delict schuilgaat. Ook dat is hier niet aangevoerd. De vraag is, dit terzijde, nog of, ware dat wél aangevoerd en aannemelijk geworden, gelet op de inhoud van art.4 van het Verdrag de rechter ontoelaatbaar moet verklaren of de minister moet weigeren. Ik ben geneigd om voor de laatste optie te kiezen. Maar wat er ook van dit alles zij, de rechtbank heeft in het aangevoerde klaarblijkelijk geen op art.4 Verdrag of art. 11 Uw steunend betoog gezien. Ik acht dat niet onbegrijpelijk. Het politiek oogmerk zou moeten zijn af te leiden uit een opmerking van een officier van justitie in Vrij Nederland en uit het feit dat de directeur van de DEA Nederland gecomplimenteerd heeft. Het komt mij voor dat dit alles in de verste verte nog geen begin van een vermoeden doet ontstaan dat het uitleveringsverzoek in deze zaak met een politiek oogmerk is gedaan. De rechtbank behoefde dus geen afzonderlijke overwegingen aan dit onderdeel van de pleitnota te spenderen.
6.1. Het vierde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de opgeëiste persoon het risico loopt in de VS voor hetzelfde feit te worden vervolgd als waarvoor hij in Nederland al is veroordeeld; sterker nog, dat staat volgens de steller van het middel op voorhand vast. De toelichting op het vierde middel herhaalt nagenoeg letterlijk hetgeen in feitelijke aanleg over dit punt is aangevoerd. Ik zie hierin geen stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, zodat mijns inziens hier niet is voldaan aan de eisen die aan een cassatiemiddel gesteld mogen worden. Een uitzondering wil ik maken voor zover de cassatieschriftuur betoogt dat de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar had moeten verklaren op het punt van de ketamine.
6.2. De rechtbank heeft aan haar uitspraak een omschrijving gehecht, afkomstig van een affidavit van J. Cooley, Assistant U.S. Attorney, van de feiten waarvoor uitlevering is verzocht en toelaatbaar is verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de uitlevering niet meer wordt verzocht voor handelingen verband houdende met de stof ketamine. Die stof komt ook niet voor in de omschrijving der feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard. Die omschrijving rept slechts van XTC en/of MDMA. Gelet op het in de aanhef van art. 15 van het Verdrag opgenomen specialiteitsbeginsel heeft deze beperking tot XTC en/of MDMA tot gevolg dat de opgeëiste persoon in de VS niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft kan worden voor dat feit. Welk belang verdachte heeft bij de klacht dat de rechtbank de uitlevering op dit punt ontoelaatbaar had moeten verklaren ontgaat mij. Voor zover er dus een cassatieklacht in het middel schuilt faalt deze klacht.
6.3.1. Maar weer zal ik - subsidiair - op de rest van de beslissing van de rechtbank ingaan, voor het geval Uw Raad mijn primaire benadering niet zou volgen.
De uitspraak van de rechtbank houdt, naast de overweging over de ketamine, nog het volgende in:
De raadsman heeft -kort samengevat- aangevoerd dat uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard op grond van artikel 9 van de Uitleveringswet. Zijn client is op 14 maart 2001 door deze rechtbank onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van de uitvoer van 9440 XTC-tabletten naar de Verenigde Staten van Amerika op 21 november 2000. De telastelegging voor dat feit luidt "op of omstreeks 21 november 2000", hetgeen een ruimere periode betreft dan uitsluitend 21 novernber 2000.
Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd blijkt -naar het oordeel van de raadsman- dat in de door de Amerikaanse autoriteiten omschreven periode (herfst 1998 tot en met herfst 2000) in de Verenigde Staten van Amerika geen verdovende middelen zijn aangetroffen die verband houden met zijn client, waarmee de raadsman naast de ontoelaatbaarheid wegens ne bis in idem tevens de rechtsmacht van de verzoekende staat betwist.
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard ten aanzien van het medeplegen van de uitvoer van 9440 XTC-tabletten naar de Verenigde Staten van Amerika op 21 november 2000, aangezien de opgeëiste persoon voor dat feit reeds onherroepelijk is veroordeeld bij vonnis van deze rechtbank d.d.14 maart 2001.
In overeenstemming met deze overwegingen luidt het eerste deel van het dictum:
Verklaart ONTOELAATBAAR de door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] voornoemd ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van 9440 XTC-tabletten naar de Verenigde Staten van Amerika op 21 november 2000.
6.3.2. Zonder nadere motivering blijft in het duister waarop de stelling is gebaseerd dat de opgeëiste persoon voor de feiten waarvoor hij in Nederland is veroordeeld en waarvoor de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard, tóch in de VS alsnog zal worden vervolgd. Als de stelling van het middel erop neerkomt dat de opgeëiste persoon in Nederland vervolgd is voor de gehele periode waarover hij in Nederland verklaringen heeft afgelegd getuigt zij van een verkeerde uitleg van de woorden in art.68 Sr "een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba onherroepelijk is beslist." Niet de inhoud van de verklaringen van een verdachte of de inhoud of duur van het opsporingsonderzoek tegen hem zijn bepalend voor de omvang van de tegen hem ingestelde vervolging, maar, grof gezegd, de inhoud van de tenlastelegging. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat andere feiten ad informandum in die veroordeling zijn meegenomen. Klaarblijkelijk had de tenlastelegging waarop de opgeëiste persoon in Nederland is veroordeeld betrekking op 9440 pillen XTC die verdachte op 21 november 2000 met anderen opzettelijk naar de VS had uitgevoerd. Dáárvoor is de opgeëiste persoon volgens de rechtbank dan ook veroordeeld. Maar juist voor dat feit is de uitlevering met zoveel woorden ontoelaatbaar verklaard.
6.4.1. Voor zover nog afzonderlijk is bedoeld te klagen over de beslissing dat de Amerikaanse rechter rechtsmacht heeft nu in de VS zelf geen XTC-transporten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard zijn onderschept geldt het volgende, waarbij ik er vooralsnog vanuit ga dat de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard zich geheel buiten het grondgebied van de VS zouden hebben afgespeeld, zoals de steller van de schriftuur betoogt. Lid 3 van art.2 van het Verdrag luidt als volgt:
3. Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de verzoekende Staat indien:
a de rechters van de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen, of
b de opgeëiste persoon onderdaan is van de verzoekende Staat.
Voor de beantwoording van de vraag of aan het vereiste van art.2 van het Verdrag is voldaan en in het bijzonder of 'in gelijksoortige omstandigheden' de aangezochte staat rechtsmacht zou hebben, is van belang of door Nederland, als aangezochte staat, strafrechtsmacht is gevestigd ten aanzien van de feiten waarvoor door de VS in de onderhavige zaak uitlevering is verzocht, indien deze feiten buiten Nederland zouden zijn begaan maar dan met het oog op de invoer in Nederland. Welnu, over het antwoord op die vraag bestaat geen twijfel gelet op art. 13 lid 3 jo. art. 10 lid 4 Opiumwet. Daarbij neem ik in aanmerking dat de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard volgens de rechtbank opleveren het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in art.2, lid 1 onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod.
6.4.2. De uitspraak van de rechtbank houdt omtrent de rechtsmacht echter nog het volgende in:
Ten aanzien van de rechtsmacht overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de omschrijving van de feiten blijkt een verdenking van conspiracy, te weten het medeplegen van invoer van XTC in de Verenigde Staten van Amerika. Een deel van de feiten heeft plaatsgevonden op het grondgebied van de Verenigde Staten van Amerika. Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat bij een telastelegging gebaseerd op conspiracy de rechter in de Verenigde Staten van Amerika ook rechtsmacht heeft voor handelingen buiten het grondgebied van de Verenigde Staten van Amerika gepleegd.
De omschrijving der feiten houdt in dat [betrokkene 1] alias [betrokkene 1] een XTC-smokkelnetwerk organiseerde dat grote hoeveelheden XTC in Amsterdam verwierf en de VS binnensmokkelde. [betrokkene 1] werkte nauw samen met de opgeëiste persoon. Verschillende koeriers hebben verklaard over de opgeëiste persoon als degene die de XTC heeft aangeschaft en verborgen, waarna deze koeriers de stof de VS binnensmokkelden. Ik wijs er nog maar eens op dat het niet aan de uitleveringsrechter is de betrouwbaarheid van zulke verklaringen te waarderen. Dat de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht zich geheel buiten de VS hebben afgespeeld, zoals de steller van de schriftuur doet voorkomen, zich er op beroepende dat twee ladingen XTC in België en Frankrijk ziin onderschept, vindt zijn weerlegging in de omschrijving der feiten, die erop neerkomt dat uit verklaringen van koeriers blijkt dat daadwerkelijk verschillende malen XTC de VS is binnengesmokkeld.
6.4.3. Voorts maak ik uit de omschrijving der feiten op dat er aanwijzingen zijn dat er een duurzame samenwerking was tussen [betrokkene 1] en de opgeëiste persoon om geregeld verdovende middelen van Nederland naar de VS te vervoeren, waarbij sprake was van een internationaal georiënteerde organisatie gericht op de smokkel van XTC, die koeriers in de VS aanwierf en XTC in Amsterdam aanschafte en vervolgens de XTC op de koeriers verborg en hen liet vertrekken naar de VS. Die feiten leveren naar Nederlands recht tevens het misdrijf van art. 140 Sr op. De Hoge Raad zou de omschrijving der feiten naar Nederlands recht kunnen aanvullen, met die restrictie dat het feit waarvoor de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard op geen enkele wijze bij een strafvervolging in de VS mag worden betrokken.
Voor zover er in wat als vierde middel is voorgesteld klachten zijn te ontwaren die de toets van art.437 Sv kunnen doorstaan gaan zij dus niet op.
7.1. Het vijfde middel keert zich tegen het verzuim van de rechtbank uitdrukkelijk de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren voor de handelingen die met ketamine te maken hebben. Doordat de rechtbank heeft overwogen dat blijkens aanvullende informatie uit de VS de uitlevering niet langer voor die handelingen wordt verzocht zou reeds op voorhand vaststaan dat door de uitlevering op flagrante wijze inbreuk zou worden gemaakt op de rechten waarop de opgeëiste persoon ingevolge art.6 EVRM een beroep kan doen.
De toelichting op het middel stelt dat het uitleveringsverzoek niet is ingetrokken voor zover het de ketamine-betrokkenheid betreft en dat de VS door niets worden belemmerd de opgeëiste persoon ook voor die feiten te vervolgen, nu de medeverdachten ook hebben verklaard over de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij deze handelingen en deze handelingen onlosmakelijk zijn verbonden met de rest van de aanklacht.
7.2. Hiervóór heb ik al als mijn mening gegeven dat de opgeëiste persoon bij deze klacht geen belang heeft. Daaraan heb ik niets meer toe te voegen.
Het middel faalt.
8.1. Het zesde middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat uitlevering aan de VS onder meer een schending zou opleveren van art.8 EVRM.
8.2. In de pleitnota in feitelijke aanleg is ook verwezen naar art.8 EVRM en aanverwante bepalingen met het oog op het advies dat de rechtbank ingeval van toelaatbaarverklaring van de uitlevering aan
de minister zal uitbrengen, want, aldus de pleitnota, de beoordeling van humanitaire redenen die aan uitlevering in de weg zouden staan is voorbehouden aan de minister.
Dat is correct. Daarom was de rechtbank niet gehouden hieromtrent in haar uitspraak een beslissing te nemen.
En daarom faalt ook dit middel.
9.1. Het zevende middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het verweer heeft verworpen dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de VS geen rechtsmacht zou hebben. Er is alleen in Europa XTC onderschept en de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat een deel van de feiten, waarbij de opgeëiste persoon betrokken zou zijn geweest, zich in de VS zou hebben voorgedaan.
9.2. De rechtsmachtkwestie heb ik hiervoor al aan de orde gesteld. Ik voeg nog daaraan toe dat de Amerikaanse autoriteiten afschriften hebben doen toekomen van verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4], die alle inhouden dat de opgeëiste persoon tijdens hun verblijf in Amsterdam XTC verborg in de uitgeholde zolen van hun schoenen. Voorts is nog bijgevoegd een verklaring van J. Cooley waarin deze de verklaringen van deze getuigen en anderen samenvat, waaruit blijkt dat mensen met de geprepareerde schoenen XTC naar de VS hebben gesmokkeld.
Ook het zevende middel faalt.
10. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld. Het tweede, vijfde, zesde en zevende middel falen eveneens en kunnen op de voet van art.81 RO worden verworpen. Wat als derde middel wordt gepresenteerd voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel dienen te worden gesteld en kan daarom buiten bespreking blijven. Indien Uw Raad zou oordelen dat het gestelde wel kan worden ontvangen faalt het. Voor het vierde middel geldt hetzelfde.
Naar mijn oordeel zijn de feiten waarvoor de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard te kwalificeren als 'het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven'. De Hoge Raad zal die kwalificatie zelf kunnen toevoegen en art. 140 Sr kunnen vermelden, waarbij het aanbeveling verdient om tot uitdrukking te brengen dat de feiten waarvoor de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard op geen enkele wijze in de vervolging ter zake van de feiten waarvoor de uitlevering wél toelaatbaar is verklaard mogen worden betrokken. Ambtshalve heb ik overigens geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal Bij de Hoge Raad der Nederlanden