Strafrecht overig

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO.

Hoge Raad, 22 januari 2013

Zaakgegevens

Op 22 januari 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 januari 2013
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
12/04155 J
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BY9128
E-mail

Samenvatting

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 22 januari 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BY9128

  2. Conclusie A-G · 22 januari 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BY9128

Uitspraak

22 januari 2013

Strafkamer

nr. S 12/04155 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 januari 2012, nummer 23/004379-11, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A. Korver, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst, als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2013.