Strafrecht overig

Verdachte wordt n-o verklaard in zijn cassatieberoep, nu niet binnen de in art. 437.2 Sv genoemde termijn…

Zaakgegevens

Op 18 februari 2014 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 februari 2014
Datum publicatie
18 februari 2014
Zaaknummer
13/00209
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:359
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verdachte wordt n-o verklaard in zijn cassatieberoep, nu niet binnen de in art. 437.2 Sv genoemde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend.

Procesgang

  1. Rechtbank Haarlem · 10 april 2009

    ECLI:NL:RBHAA:2009:BI0841
  2. Gerechtshof Amsterdam · 7 november 2012

    ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2739

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 21 januari 2014

    ECLI:NL:PHR:2014:60
  4. Hoge Raad · 18 februari 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2014:359

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

18 februari 2014

Strafkamer

nr. 13/00209

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 november 2012, nummer 23/002401-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014.