Strafrecht overig

Nu geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend, is niet in acht genomen het voorschrift van…

Zaakgegevens

Op 3 november 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 november 2015
Datum publicatie
3 november 2015
Zaaknummer
14/02213
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:3219
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Nu geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437.2 Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 16 april 2014

    ECLI:NL:GHAMS:2014:1433
  2. Conclusie A-G · 8 september 2015

    ECLI:NL:PHR:2015:2099
  3. Hoge Raad · 3 november 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2015:3219

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

3 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/02213

NA/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 april 2014, nummer 23/003013-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2015.