Strafrecht overig

Falende bewijsklacht medeplegen voorbereidingshandelingen Opiumwet. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04926…

Zaakgegevens

Op 19 september 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 september 2017
Datum publicatie
19 september 2017
Zaaknummer
15/05109
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:2410
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Falende bewijsklacht medeplegen voorbereidingshandelingen Opiumwet. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04926 en 16/00365.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 juli 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:924
  2. Hoge Raad · 19 september 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:2410

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

Inhoudsopgave

19 september 2017

Strafkamer

nr. S 15/05109

SG/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 oktober 2015, nummer 22/005265-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2017.