Strafrecht overig

Falende bewijsklacht medeplegen voorbereidingshandelingen Opiumwet. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04926…

Parket bij de Hoge Raad, 11 juli 2017

Zaakgegevens

Op 11 juli 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 juli 2017
Datum publicatie
19 september 2017
Zaaknummer
15/05109
ECLI
ECLI:NL:PHR:2017:924
E-mail

Samenvatting

Falende bewijsklacht medeplegen voorbereidingshandelingen Opiumwet. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04926 en 16/00365.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 juli 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2017:924

  2. Hoge Raad · 19 september 2017

    ECLI:NL:HR:2017:2410

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 15/05109

Zitting: 11 juli 2017 (bij vervroeging)

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 oktober 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1 subsidiair “Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”, 2 “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 3 “Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet” en 4 “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesentwintig maanden met aftrek als bedoeld in 27 Sr.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 15/04926, 15/05109 en 16/00365. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel houdt in dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat verdachte en/of zijn mededaders mallen en weegschalen voorhanden heeft/hebben gehad, zodat de bewezenverklaring voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed.

  5. Ten laste van de verdachte is onder 1 onder meer bewezenverklaard dat hij en/of zijn mededaders drukpersen en autokrikken en mallen en mixers en verpakkingsmateriaal en weegschalen en geldtelmachines en handelshoeveelheden cocaïne en grote geldbedragen voorhanden heeft/hebben gehad.

  6. De omstandigheid dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte en/of zijn mededaders mallen en weegschalen voorhanden heeft/hebben gehad, doet dus niet af aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd. Derhalve heeft de verdachte bij zijn middel klaarblijkelijk onvoldoende belang en rechtvaardigt het middel geen behandeling in cassatie. Mitsdien kan de verdachte niet in zijn beroep in cassatie worden ontvangen (art. 80a RO).

  7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG