Strafrecht overig

Geen schriftuur ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 15/05303; 15/05342; 15/05447; 15/05454; 16/00013…

Zaakgegevens

Op 14 maart 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 maart 2017
Datum publicatie
14 maart 2017
Zaaknummer
16/00950
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:435
E-mail

Samenvatting

Geen schriftuur ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 15/05303; 15/05342; 15/05447; 15/05454; 16/00013; 16/00237; 16/00238; 16/00239; 16/00947; 16/00948; 16/00949; 16/00951 en 16/00952.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 24 januari 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:149
  2. Hoge Raad · 14 maart 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:435

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

Inhoudsopgave

14 maart 2017

Strafkamer

nr. S 16/00950 P

AGE/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 9 november 2015, nummer 21/004598-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2017.