Strafrecht overig

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling door dreigend een mes te…

Hoge Raad, 22 januari 2019

Zaakgegevens

Op 22 januari 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 januari 2019
Datum publicatie
21 januari 2019
Zaaknummer
18/00061
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:88
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling door dreigend een mes te tonen en daarmee stekende bewegingen te maken, art. 285.1 Sr. 1. Klacht dat Hof enkel acht mag slaan op eerdere veroordelingen indien die vallen onder het bereik van de recidivebepaling art. 43a Sr. 2. Klacht dat responsieplicht bestaat voor verzoeken/verweren die in appelschriftuur staan vermeld en die niet uitdrukkelijk op de zitting zijn herhaald. HR: art. 80a RO, met schriftelijk standpunt AG . Samenhang met 18/00062.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHSHE:2017:3918
  2. Conclusie A-G · 27 november 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1318
  3. Hoge Raad · 22 januari 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:88

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

22 januari 2019

Strafkamer

nr. S 18/00061

YTA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 september 2017, nummer 20/003617-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.H.S. Brinkman, advocaat te Heerlen, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019.