Strafrecht overig

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling door dreigend een mes te…

Zaakgegevens

Op 27 november 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27 november 2018
Datum publicatie
23 november 2018
Zaaknummer
18/00061
ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1318
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling door dreigend een mes te tonen en daarmee stekende bewegingen te maken, art. 285.1 Sr. 1. Klacht dat Hof enkel acht mag slaan op eerdere veroordelingen indien die vallen onder het bereik van de recidivebepaling art. 43a Sr. 2. Klacht dat responsieplicht bestaat voor verzoeken/verweren die in appelschriftuur staan vermeld en die niet uitdrukkelijk op de zitting zijn herhaald. HR: art. 80a RO, met schriftelijk standpunt AG . Samenhang met 18/00062.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHSHE:2017:3918
  2. Conclusie A-G · 27 november 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2018:1318

  3. Hoge Raad · 22 januari 2019

    ECLI:NL:HR:2019:88

    Niet ontvankelijk

Conclusie

Nr. 18/00061

Zitting: 27 november 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij verstek bij arrest van 1 september 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling”, veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/00062. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.H.S. Brinkman, advocaat te Heerlen, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel berust kennelijk op de opvatting dat het hof enkel acht mag slaan op eerdere veroordelingen indien die vallen onder het bereik van de recidivebepaling uit art. 43a Sr. Die stelling vindt geen steun in het recht aangezien eerdere veroordelingen kunnen gelden als nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010, 586). De bepaling is niet als zodanig in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen. Er zijn – zoals de steller van het middel ook erkent – eerdere onherroepelijke veroordelingen voor bedreigingen en daarmee mag de rechter rekening houden bij het bepalen van de (hoogte en aard van de) straf.

5. Het eerste middel faalt.

6. Het tweede en het derde middel berusten op onjuiste rechtsopvatting dat een responsieplicht bestaat voor verzoeken/verweren die in een appelschriftuur staan vermeld en niet uitdrukkelijk op de zitting zijn herhaald.

7. Er zijn geen verweren gevoerd op de zitting van het hof. De aanwezige raadsman was ook niet gemachtigd.

8. Deze middelen falen dus eveneens en evident.

9. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat verdachte hierbij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft en/of de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Over de bewezenverklaring en kwalificatie wordt niet geklaagd. In het algemeen geldt dat een zogenoemde alternatieve bewezenverklaring toelaatbaar is voor zover een keuze uit de in de tenlastelegging alternatief vermelde kwalificaties voor de strafrechtelijke betekenis van het feit van geen belang is, HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, waarin wordt verwezen naar HR 22 april 1986, NJ 1986/827, rov. 6.4). Dat lijkt hier het geval te zijn, zo ook mijn ambtgenoot AG Vegter in zijn conclusie van 12 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ5602. HR: art. 81.1 RO.