Strafrecht overig
N-o verklaring in h.b. ex art. 416.2 Sv. Geen afschrift appeldagvaarding verzonden naar raadsman, art. 48 Sv…
ECLI:NL:HR:2020:1366 · Hoge Raad · 12 mei 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2020-1366
Zaakgegevens
Op 12 mei 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 mei 2020
- Datum publicatie
- 1 september 2020
- Zaaknummer
- 19/01381
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:1366
Samenvatting
N-o verklaring in h.b. ex art. 416.2 Sv. Geen afschrift appeldagvaarding verzonden naar raadsman, art. 48 Sv. HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Stukken bevatten niets waaruit kan volgen dat voor behandeling van zaak in h.b. afschrift van dagvaarding in h.b. aan voor verdachte optredende raadsman is verzonden. Stelbrief van advocaat (faxbericht) en verzendcontrolerapport waaruit succesvolle verzending daarvan naar strafgriffie hof kan worden afgeleid, zijn aan cassatieschriftuur gehecht. In aanmerking genomen dat ontvangstbevestiging strafgriffie hof van voornoemd faxbericht zich niet bij stukken bevindt, leidt een en ander tot ernstig vermoeden dat hof niet op de hoogte was van stelbrief van raadsman. In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat voorschrift van art. 48 Sv (voorheen: art. 51 (oud) Sv) niet is nageleefd. Niet-nakoming ervan moet worden geacht aan geldige behandeling van zaak ttz. buiten tegenwoordigheid van verdachte en diens raadsman in de weg te staan. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 maart 2020
ECLI:NL:PHR:2020:771Hoge Raad · 12 mei 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:1366
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/01381
Datum 12 mei 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 september 2017, nummer 22/000667-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bevat de klacht dat artikel 48 Sv in hoger beroep niet is nageleefd aangezien is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte toe te zenden.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht
en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2020.