Strafrecht overig

Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Verdachte n-o. Samenhang met 18/03731.

Hoge Raad, 4 februari 2020

Zaakgegevens

Op 4 februari 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 februari 2020
Datum publicatie
31 januari 2020
Zaaknummer
18/03732
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:188
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Verdachte n-o. Samenhang met 18/03731.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 30 januari 2018

    ECLI:NL:GHDHA:2018:997
  2. Conclusie A-G · 10 december 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:1433
  3. Hoge Raad · 4 februari 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:188

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03732 P

Datum 4 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 30 januari 2018, nummer 22/001608-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de betrokkene.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020.