Strafrecht overig
Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Verdachte n-o. Samenhang met 18/03731.
Parket bij de Hoge Raad, 10 december 2019
ECLI:NL:PHR:2019:1433 · Parket bij de Hoge Raad · 10 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2019-1433
Zaakgegevens
Op 10 december 2019 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 december 2019
- Datum publicatie
- 4 februari 2020
- Zaaknummer
- 18/03732
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:1433
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Verdachte n-o. Samenhang met 18/03731.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 30 januari 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:997Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 december 2019deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2019:1433
Hoge Raad · 4 februari 2020
ECLI:NL:HR:2020:188Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03732 P
Zitting 10 december 2019
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 30 januari 2018 het jegens de betrokkene gewezen vonnis van de rechtbank Dan Haag van 24 maart 2017 bevestigd behalve ten aanzien van het achterwege laten van het in mindering brengen van het in de strafzaak verbeurdverklaarde Nederlandse geld. Het hof heeft de vastgestelde betalingsverplichting daarom verminderd met het gehele verbeurdverklaarde geldbedrag van € 5.865,-. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 16.893,- heeft het hof aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling een bedrag van € 11.028,- aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/03731. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Het cassatieberoep is op 12 februari 2018 namens de betrokkene ingesteld. Namens de betrokkene is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de betrokkene niet door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, dient hij ingevolge de artikelen 437 lid 2 juncto 511h Sv niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden