Strafrecht overig
Beklag a.b.i. art. 164.8 WVW 1994 tegen inhouding vaarbewijs ex art. art. 35a.4 Scheepvaartverkeerswet. HR…
Hoge Raad, 11 februari 2020
ECLI:NL:HR:2020:219 · Hoge Raad · 11 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2020-219
Zaakgegevens
Op 11 februari 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 februari 2020
- Datum publicatie
- 7 februari 2020
- Zaaknummer
- 19/01290
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:219
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag a.b.i. art. 164.8 WVW 1994 tegen inhouding vaarbewijs ex art. art. 35a.4 Scheepvaartverkeerswet. HR: Op de gronden vermeld in de CAG zal HR cassatieberoep van klager niet in behandeling nemen. CAG: Uit ingewonnen inlichtingen blijkt dat OvJ vaarbewijs aan klager heeft teruggegeven. Deze teruggave vindt zijn grondslag in art. 35a.3.c Scheepsvaartverkeerswet. Hierin is bepaald dat vaarbewijs onverwijld wordt teruggegeven indien onderzoek strafzaak ttz. niet binnen 26 weken na dag van invordering is aangevangen. Dit brengt mee dat klager geen belang meer heeft bij cassatieberoep, nu van inhouding van vaarbewijs ex art. 35a.2 Scheepvaartverkeerswet geen sprake meer is. Klager n-o.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 december 2019
ECLI:NL:PHR:2019:1317Hoge Raad · 11 februari 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:219
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/01290
Datum 11 februari 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2019, nummer RK 19/000606, op een klaagschrift als bedoeld in art. 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de klager in zijn cassatieberoep.
De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal, zal de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.