Strafrecht overig
Conclusie AG. Beklag ex art. 35a lid 4 Scheepvaartverkeerswet strekkende tot teruggave aan klager van zijn…
ECLI:NL:PHR:2019:1317 · Parket bij de Hoge Raad · 17 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2019-1317
Zaakgegevens
Op 17 december 2019 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 december 2019
- Datum publicatie
- 12 december 2019
- Zaaknummer
- 19/01290
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:1317
Samenvatting
Conclusie AG. Beklag ex art. 35a lid 4 Scheepvaartverkeerswet strekkende tot teruggave aan klager van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden vaarbewijs, wegens verdenking van varen onder invloed. Uit ingewonnen inlichtingen blijkt dat de officier van justitie het vaarbewijs op 14 mei 2019 heeft teruggegeven aan klager. Deze teruggave is gebaseerd op art. 35a lid 3 sub c Scheepsvaartverkeerswet, waarin is bepaald dat het vaarbewijs onverwijld wordt teruggegeven indien het onderzoek van de strafzaak op de terechtzitting niet binnen 26 weken na de dag van invordering is aangevangen. Volgens de AG moet het er daarom voor worden gehouden dat de klager geen belang meer heeft bij het cassatieberoep. De AG stelt zich op het standpunt dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 december 2019deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2019:1317
Hoge Raad · 11 februari 2020
ECLI:NL:HR:2020:219
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/01290 B
Zitting 17 december 2019
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager.
1. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, heeft bij beschikking van 29 januari 2019 het klaagschrift van de klager ex art. 35a lid 4 Scheepvaartverkeerswet, strekkende tot teruggave van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden vaarbewijs, ongegrond verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3 Ontvankelijkheid van het beroep
Ambtshalve wijs ik op het volgende. Van de klager is op 9 november 2018 het vaarbewijs ingevorderd wegens verdenking van varen onder invloed. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich de ‘Handmatige beslissing inhouding’ van de officier van justitie waaruit volgt dat het vaarbewijs van de klager op 19 november 2018 voor de periode van twaalf maanden werd ingehouden, onder vermelding van “Inhouden uiterlijk tot: 4 november 2019”. Uit namens mij bij het Arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de CVOM ingewonnen inlichtingen is gebleken dat de strafzaak tot op heden geen aanvang heeft genomen. Ook is uit de ingewonnen informatie gebleken dat het vaarbewijs op 14 mei 2019 per post is geretourneerd aan de klager. Deze teruggave vindt zijn grondslag in art. 35a lid 3 sub c Scheepvaartverkeerswet. Daarin is bepaald dat de officier van justitie het vaarbewijs onverwijld teruggeeft aan de houder indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen 26 weken na de dag van invordering is aangevangen.
Een en ander brengt mee dat de klager geen belang meer heeft bij zijn cassatieberoep. Van inhouding van het vaarbewijs op grond van art. 35a lid 2 Scheepvaartverkeerswet is immers geen sprake meer. Een eventuele vernietiging van de bestreden beschikking kan daardoor geen verandering brengen in de rechtspositie van de klager met betrekking tot het vaarbewijs.
4 Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van de klager in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG