Strafrecht overig

Medeplegen namaken bankbiljetten (art. 208 Sr), medeplegen uitgeven valse bankbiljetten (art. 209 Sr)…

Hoge Raad, 8 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 oktober 2024
Datum publicatie
13 september 2024
Zaaknummer
22/01883
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1224
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen namaken bankbiljetten (art. 208 Sr), medeplegen uitgeven valse bankbiljetten (art. 209 Sr), voorhanden hebben voorwerpen bestemd tot namaken bankbiljetten (art. 214 Sr) en deelname aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr).

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 22/01755 P, 22/01779 P, 22/01788 P, 22/01849 P, 22/01882 P, 22/01896 en 22/01897 P.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 10 mei 2022

    ECLI:NL:GHARL:2022:3603
  2. Conclusie A-G · 25 juni 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1027
  3. Hoge Raad · 8 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1224

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01883

Datum 8 oktober 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, nummer 21-003463-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2024.