Strafrecht overig

Doodslag door in 2018 in Zwolle ander met pistool door zijn hoofd te schieten, art. 287 Sr. 1. Bewijsklachten…

Hoge Raad, 12 maart 2024

Zaakgegevens

Op 12 maart 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 maart 2024
Datum publicatie
6 maart 2024
Zaaknummer
23/00333
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:322
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Doodslag door in 2018 in Zwolle ander met pistool door zijn hoofd te schieten, art. 287 Sr. 1. Bewijsklachten m.b.t. metaaldeeltje en indrukspoor op neus van kogel. 2. Heeft hof beslist op voorwaardelijk verzoek tot doen uitvoeren van nader onderzoek door NFI m.b.t. huidbeschadigingen op hoofd van slachtoffer? 3. Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot doen uitvoeren van deskundigenonderzoek m.b.t. metaaldeeltjes. 4. Afwijzing van voorwaardelijk verzoek tot laten opmaken van aanvullend p-v m.b.t. metaaldeeltjes. 5. Kon hof oordelen dat “verklaring” van verdachte niet geloofwaardig is?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 23 januari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:84
  2. Hoge Raad · 12 maart 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:322

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00333

Datum 12 maart 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2023, nummer 21-005901-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2024.