Strafrecht overig

Medeplegen diefstal, art. 311.1.4 Sr. Vordering benadeelde partij (besloten vennootschap) t.z.v. materiële…

Hoge Raad, 15 april 2025

Zaakgegevens

Op 15 april 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 april 2025
Datum publicatie
4 april 2025
Zaaknummer
22/03997
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:524
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen diefstal, art. 311.1.4 Sr. Vordering benadeelde partij (besloten vennootschap) t.z.v. materiële schade. Ontvankelijkheid vordering b.p. Is degene die vordering b.p. heeft ingesteld, bevoegd rechtspersoon te vertegenwoordigen? HR: Om redenen vermeld in HR:2025:523 faalt middel.

Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 22/03996.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 oktober 2022

    ECLI:NL:GHSHE:2022:3724
  2. Conclusie A-G · 4 februari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:64
  3. Hoge Raad · 15 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:524

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03997

Datum 15 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2022, nummer 20-001580-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.N. Vermeij, advocaat in Den Haag, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de vordering van de benadeelde partij [A] B.V. ontvankelijk heeft geacht terwijl het hof niet heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] , die namens deze benadeelde partij die vordering heeft ingesteld, daartoe bevoegd was en dat het hof om diezelfde reden het opleggen aan de verdachte van de schadevergoedingsmaatregel ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 22/03996, ECLI:NL:HR:2025:523.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 26 weken.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 25 weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2025.