Strafrecht overig
Vernieling. Vordering benadeelde partij (omgevingsdienst) ter zake van materiële schade. Ontvankelijkheid…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 oktober 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2831 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2831
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- 20-002425-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2831
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vernieling. Vordering benadeelde partij (omgevingsdienst) ter zake van materiële schade. Ontvankelijkheid vordering benadeelde partij. Is degene die de vordering benadeelde partij heeft ingediend, bevoegd de rechtspersoon te vertegenwoordigen?
Uitspraak
Parketnummer : 20-002425-25
Uitspraak : 7 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-061706-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (schuldigverklaring zonder oplegging van straf). Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding met veroordeling van de benadeelde partij in de proceskosten. De politierechter heeft ten behoeve van de
rechtsopvolger van [benadeelde] , zijnde [benadeelde] , de schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter hoogte van het door de benadeelde partij gevorderde bedrag en bepaald dat de vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen
met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] alsmede de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is primair verzocht de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding en te bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan indienen.
Subsidiair is verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen voor zover daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd en in zoverre opnieuw rechtdoende die maatregel niet op te leggen.
Meer subsidiair is verzocht het toe te wijzen bedrag van de vordering dan wel het bij wege van de schadevergoedingsmaatregel op te leggen bedrag te matigen.
Tot slot heeft de raadsman verzocht in alle gevallen geen gijzeling te verbinden aan een eventuele betalingsverplichting, dan wel de duur daarvan te beperken.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij alsmede de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, is het hof van oordeel dat de bewijsvoering de navolgende aanvulling behoeft:
Het hof ziet aanleiding om als bewijsmiddel op te nemen: de verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 23 september 2026:
Nadat de geluidsmeter op de grond was gevallen heb ik er doelbewust tegenaan geschopt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (thans: [benadeelde] )
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.897,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Uit de stukken die namens de benadeelde partij bij het handhavingsformulier in hoger beroep zijn ingediend blijkt dat de rechtspersoon die eerder bekend stond onder de naam ‘ [benadeelde] ’ thans is genaamd: ‘ [benadeelde] ’. Waar hierna wordt gesproken over ‘ [benadeelde] ’ wordt derhalve tevens ‘ [benadeelde] ’ bedoeld.
Ontvankelijkheid
De verdediging heeft – kort weergegeven – primair betoogd dat op basis van de ingediende vordering, hetgeen ter terechtzitting in eerste aanleg is besproken en de stukken die namens de benadeelde partij in eerste aanleg en in hoger beroep zijn ingediend, niet kan worden vastgesteld dat [vertegenwoordiger] (hierna: [vertegenwoordiger] ) bevoegd is om de vordering namens [benadeelde] in te dienen.
Het hof overweegt als volgt. De vordering van een benadeelde partij die een rechtspersoon is, zal door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger moeten worden ingesteld. De vertegenwoordiging kan volgen uit de wet (Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), de statuten van de rechtspersoon en/of uit een volmacht. Als een persoon die verbonden is aan de rechtspersoon namens de rechtspersoon een vordering instelt en uit het procesdossier (bijvoorbeeld de aangifte of een uittreksel van de Kamer van Koophandel) volgt dat deze persoon een met het oog op de ingestelde vordering relevante functie heeft binnen de rechtspersoon, dan is een machtiging niet nodig, aangezien deze persoon niet als een derde in de zin van art. art. 51c lid 3 Wetboek van Strafvordering dient te worden aangemerkt. In dergelijke gevallen mag worden aangenomen dat die persoon bevoegd is namens de rechtspersoon de vordering in te dienen (HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043, HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2006 en HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:523). Dit alles geldt ook indien door de benadeelde geen stukken zijn overgelegd waaruit expliciet van de bevoegdheid blijkt. De achterliggende gedachte is dat de interne vertegenwoordigingsregeling van de rechtspersoon strekt ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon zelf. Zij strekken dus niet ter bescherming van de belangen van de verdachte, zodat die zich er niet al te gemakkelijk op kan beroepen.
Tegen de achtergrond van het voorgaande overweegt het hof als volgt.
Op het voegingsformulier (hierna: de vordering) is onder 1c [vertegenwoordiger] als vertegenwoordiger van [benadeelde] vermeld. Voorts is de vordering namens [benadeelde] op 28 maart 2022 door [vertegenwoordiger] ondertekend (sub 6). In hoger beroep is namens de benadeelde partij de arbeidsovereenkomst van [vertegenwoordiger] met [benadeelde] ingediend. Daaruit blijkt dat [vertegenwoordiger] manager/afdelingshoofd was ten tijde van het indienen van de vordering.
Het hof ziet, het voorgaande in aanmerking nemende, geen aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van [vertegenwoordiger] om in deze als vertegenwoordiger van [benadeelde] op te treden. Het hof acht de benadeelde partij dan ook ontvankelijk in de vordering. Daarmee behoeft het subsidiaire standpunt van de verdediging ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel, dat uitgaat van het tegendeel, geen bespreking meer.
Hoogte van de vordering
De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist voor zover die ziet op het bedrag van de nieuw aan te schaffen software voor de nieuwe geluidsmeter. Het hof overweegt als volgt. Uit het e-mailbericht van [betrokkene] van [bedrijf] d.d. 13 augustus 2026, dat door de vertegenwoordiger van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep is overgelegd, blijkt dat de software, nadat die op een geluidsmeter is geïnstalleerd, apparaat gebonden is en na vernietiging van de geluidsmeter niet digitaal kan worden teruggehaald/gekopieerd naar een nieuwe geluidsmeter. De kosten voor de nieuw aan te schaffen software worden dan ook terecht gevorderd en zullen worden toegewezen, naast de gevorderde aanschafkosten van de nieuwe geluidsmeter.
Uit de toelichting door de gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de betreffende geluidsmeter een specialistisch apparaat is alsmede dat dit apparaat ten tijde van de vernieling nog maar drie jaar oud was. Het hof ziet, anders dan de verdediging, dan ook geen aanleiding om op het gevorderde bedrag enige afschrijving toe te passen.
Van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij die tot vermindering van de vordering zou moeten leiden, is naar het oordeel van het hof, anders dan de verdediging heeft betoogd, geen sprake. Door de verdediging is aangevoerd dat de geluidsmeting zonder vooraankondiging op het privé terrein van de verdachte is uitgevoerd door functionarissen die niet als zodanig herkenbaar waren. Wat daar ook van zij, dat gaf de verdachte op geen enkele manier de bevoegdheid om de geluidsmeter uit handen van de betreffende functionaris te slaan en ertegen te schoppen, waardoor die onherstelbaar beschadigd raakte.
Conclusie
De vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door en namens de verdachte niet voldoende gemotiveerd betwist. Uit de toelichting namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep en de offerte die is overgelegd, blijkt voldoende dat de schade bestaat uit de kosten voor de aanschaf van een nieuwe geluidsmeter met de bijbehorende software. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de vernieling. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden. De gevorderde schadevergoeding acht het hof dan ook toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 maart 2022 (datum ontstaan schade) tot aan de dag der algehele voldoening.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 6.897,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof ziet geen reden, zoals verzocht door de verdediging, het dwangmiddel gijzeling ter nakoming van de betalingsverplichting achterwege te laten of in duur te beperken, aangezien onvoldoende aannemelijk is gemaakte dat de verdachte nu en in de toekomst over onvoldoende middelen beschikt om aan de betalingsverplichting te voldoen. Bovendien kan in de tenuitvoerleggingsfase van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 6:4:20 lid 3 Wetboek van Strafvordering op alsdan gebleken betalingsonmacht worden geanticipeerd. Het hof zal dan ook bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (thans: [benadeelde] )
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.897,00 (zesduizend achthonderdzevenennegentig euro) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.897,00 (zesduizend achthonderdzevenennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 59 (negenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 maart 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. G. Tangenberg en mr. A.E.J. Satink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 7 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.E.J. Satink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.